De hellingen van de vulkaan waren weelderig  bebost, er leefde veel wild. Schaapkuddes werden gehouden en er werden olijven, graan en druiven verbouwd. De oogsten op de vruchtbare vulkanische grond waren overvloedig. Somst zelfs 3x per jaar.
Zoutwatervis en schelpdieren kwamen uit de zee en zoetwatervis uit de rivier de Sarno.
Al vanaf de 8ste eeuw voor Chr. waren hier nederzettingen van Samnieten, Grieken  ('Napoli' komt bijvoorbeeld van het Grieks 'neapolis'  ='nieuwe stad' ), Oscanen, en andere volkeren. Het leek werkelijk een paradijs op aarde.
De ligging aan zee en de rivier de Sarno was uitermate gunstig voor de handel. Pompeii groeide uit tot een middelgrote welvarende stad, met 20.000 inwoners. (Herculaneum had ongeveer 6000 inwoners.) Overal verspreid waren kleinere  steden en dorpen en rijken uit Rome bouwden in deze omgeving  hun prachtige buitenhuizen. Het was hier een stuk aangenamer dan in het  volle, stinkende en luidruchtige Rome.
Niemand wist dat ze op een vulkaan leefden, en dat deze vulkaan niet dood was, maar integendeel één van de gevaarlijkste vulkanen van de wereld! 
Er waren wel voortekenen van de komende uitbarsting. Er waren regelmatig  aardschokken, maar daar was men in dit gebied aan gewend.
In februari 62 AD was er een zeer zware aardbeving die enorme schade veroorzaakte in Pompeii en omgeving.
Ondanks dit ongunstige
prodigium (voorteken) greep de stad de kans aan om nieuwe bouwwerken neer te zetten, zoals de enorme centrale thermen. Veel huizen en openbare gebouwen waren nog volop in aanbouw of restauratie op de fatale augustus 17 jaar later.
Romeinen brachten aardschokken- en bevingen totaal niet in verband met vulkaan uitbarstingen.
Op 24 augustus 79 begon de dag zoals alle anderen. Hoewel er al verscheidene dagen aardschokken gevoeld werden, maakte niemand zich daar echt zorgen om. Dat gebeurde zo vaak.
Om ongeveer 1 uur 's middags echter barstte de vulkaan uit met een enorme zuil van as en puimsteentjes.
Het leek op een verticale zwarte wolk, die bovenaan horizontaal uitwaaierde en langzaam de zon verduisterde.  Een half uur later begon een regen van as en puim  te vallen op de stad, tot 4 meter hoog. Dit was de eerste fase van de uitbarsting. De puimstenen waren licht en niet meteen dodelijk, maar het waren er wel heel veel.
De meeste inwoners konden op tijd vluchten, richting zee, met medeneming van hun kostbaarheden. (Daarom zijn er weinig 'schatten' gevonden in Pompeii). Daar konden ze ontsnappen met boten. De weinigen die achterbleven, om wat voor reden dan ook, (er waren ook mensen teruggekeerd omdat ze dachten dat het ergste voorbij was),  maakten een afschuwelijke nacht door.
Het was aardedonker, vuurtongen braken uit de mond van de vulkaan, de ene aardschok volgde op de andere en vluchten over zee was niet meer mogelijk, omdat de wind was gedraaid en de zee door het natuurgeweld als het ware opgestuwd werd zee-inwaarts. Sinds deze nacht ligt Pompeii ook niet meer aan zee. De hele kustlijn kwam kilometers verder te liggen.
Nu kwam de eigenlijke uitbarsting, de pyroclastische stroom, bestaande uit een gloeiend hete golf van as, rotsblokken, zwaveldamp en vulkanische giftige gassen. Dit werd de laatste mensen en dieren fataal. De dood was gelukkig snel. De hitte was ongeveer 500 graden Celcius dus het was in een fractie van een seconde gebeurd. Er zijn in Pompeii ongeveer 2000 mensen omgekomen.
Veel gebouwen  zijn vanaf de 4 meter as en puim, de eerste laag, zwaar  beschadigd door deze pyroclastische stroom.


Stille getuige uit een tuin in Boscoreale
Een slachtoffer
leven in het paradijs.......
Er werden door keizer Titus twee senatoren  aangesteld om eventuele  achtergelaten  kostbaarheden te bergen en nalatenschappen
van omgekomenen af te handelen. Ook moesten ze bekijken of de stad weer kon worden opgebouwd.
Al snel werd duidelijk dat daar geen sprake van kon zijn: er was gewoonweg te veel verwoest.
Sommige voormalige bewoners probeerden onder de aarde en puin hun bezittingen terug te vinden. Niet zelden stierven ze alsnog
door de giftige gassen die er ondergronds nog steeds hingen. Op deze manier kwamen ook een aantal schatgravers aan hun einde.
Al snel werd de stad met rust gelaten en door de nog steeds zeer vruchtbare vulkanische grond overwoekerd met nieuwe bomen, struiken, bloemen etc. Het gebied waar de stad ooit lag werd " La civita" genoemd: "De stad". Al snel wist niemand meer waarom....


Reliëf uit Pompeii voorstellende de aardbeving van 62. Je ziet de verwoesting van de tempel van Jupiter op het forum.
De puimsteentjes...
Een voorbeeld
van een pyro-
clastische wolk.
(Filipijnen 1984)
De grove puntjes zijn de asregens en de kleine
puntjes de modderstroom.(richting Herculaneum)
De uitbarsting:
De ooggetuige:
Plinius de jongere schreef een ooggetuige verslag van de uitbarsting van de Vesuvius vanaf Misenum, en over de dood van zijn oom, de beroemde Plinius de oudere, die vrienden te hulp wilde schieten in Pompeii en stierf op het strand van Stabiae. Zie hier voor dit huiveringwekkende ooggetuige verslag!
" Al deze gebeurtenissen in het binnenste van de vulkaan hadden zich sedert de laatste mislukte uitbraakpoging, die in het jaar 63 als een aardbeving gevoeld was, in de loop der sedertdien verstreken zestien jaren zeer versterkt. De spanning in het binnenste van de Vesuvius was geweldig toegenomen en in het midden van augustus van het jaar 79, ongeveer zes weken na de troonsbestijging van keizer Titus werden er weer aardschokken waargenomen. Maar ze waren nog niet dreigend; in de huizen en plaatsen die op en om de Vesuvius lagen, viel hier en daar een voorwerp naar beneden, vertoonde zich een scheur in de fraai beschilderde muur, werkte een pomp niet meer; dat was voorlopig alles.
Maar ongeveer 20 augustus werden de aardschokken sterker. Ze gingen gepaard met een gedempt rollen als van een ver onweer. Reeds begon men bang te worden, angstige zielen schreeuwden : de reuzen waren weer opgestaan; nu eens in de bergen, dan weer in de vlakte rommelde het, zelfs in de zee, die bij een overigens heldere hemel en heerlijke zonneschijn merkwaardig woelig was en wild, schuimende golven tegen de kust wierp. Op de 22ste en 23ste augustus kwam de bodem weer gedeeltelijk tot rust, alleen in het bergachtige dal naar de Vesuvius scheen het nog onrustig te blijven. Vredig strekte het landschap zich uit, de krans van door bloemenpracht omgeven huizen en steden rondom de lieflijke golf was in het blauw van de hemel en van de zee en in het sappige, welige groen der tot rijpheid gekomen natuur gedompeld ...
Blauw en wolkenloos omspande de hemel de aarde en in de morgen van de 24ste augustus straalde de zon brandend heet op de zo heerlijk gelegen stadjes en villa's, op Pompeji en Herculaneum en op de in de verte in de nevel glinsterende stad Napels.
Daar, plotseling, deed een nieuwe aardschok de bodem wankelen. Deze schok was vreselijker dan alle vorige. En nu wilden reeds duizenden de bovenmenselijk grote, geweldige reuzen heel duidelijk gezien hebben, nu eens daar in de bergen rondtrekkend, dan zwevend in de lucht boven de zee. Opeens dreunde er in de voormiddaguren een vreselijke donderslag. Van de Vesuvius af klonk er een oorverdovende knal, van schrik vervuld blikte iedereen daarheen. En kijk, daar was de berg aan zijn top gespleten en onder dondergeraas scheen uit het midden vuur uitgespuwd te worden. Doch neen, het verschijnsel verdween weer, een geweldige zwarte rookwolk steeg naar de hemel op.
Het ene oorverdovende gekraak volgde op het andere, hoog op stegen donkere zuilen van gesteente en stortten weer in elkaar. En plotseling, men wist niet hoe en van waar, regende en kletterde het overal. Niet alleen stromende regen, ja die ook, gelijktijdig echter stenen, aardklompen, kleine lichte puimsteentjes, reusachtige brokken als bommen zo groot daartussen, voornamelijk echter klein goed, maar in zulk een eindeloze menigte, dat de zon verduisterd werd. Het werd op eenmaal nacht midden op de dag, slechts af en toe verlichtten felle bliksemstralen het vreselijke schouwspel.
Een levendig verslag van hoe het misschien was:
Uit het boek van  Egon Caesar Conte Corti : "  Untergang und Auferstehung von Pompeji und Herculaneum" , 1940    (Vert. A. Oosthoek)                                            
En na de ramp:
De oude kustlijn en de dorpjes rond de Vesuvius
24 augustus, rond 1 uur 'smiddags: Opeens een luide explosie uit de zo "normale" berg en een rookpluim die wel 30 km hoog stijgt. Daarna waaiert de pluim uit en verduistert de hemel. Rond half 2 'smiddags: as en puimsteentjes beginnen te regenen uit de zwarte wolken op de stad. 6 uur namiddag: nu ligt er onderhand wel een laag van 4 meter van al die steentjes en ander puin. Daken gaan bezwijken en gebouwen vatten vlam. De laatste in de stad gebleven mensen zijn wanhopig en proberen alsnog te vluchten. Helaas is er geen vluchten meer mogenlijk.. 25 augustus rond 8 uur 'sochtends Nu komt met enorme snelheid de pyroclastische wolk van de vulkaanhelling afrollen, zwaar giftige gassen, die ieder mens en dier wat nog leeft in een paar ademtochten dood...
Martialis, 88 AD over het gebied en de verwoestingen na de vulkaanuitbarsting
'Dit is Vesbius (Vesuvius), onlangs nog groen beschaduwd door wijnstokken; hier had de edele druif vochtige meren gevuld; hier was de bergkam die Bacchus meer mocht dan de heuvels van Nyssa; op deze berg voerden satyrs eens reidansen uit; dit was een woonplaats van Venus, haar liever dan Lacedaemon (Sparta); deze plek was beroemd door de goddelijke Hercules (Herculaneum).
Alles ligt nu bedolven door vlammen en treurige as: zelfs de goden hadden dit toch niet willen meemaken.'


Onderzoek, tekst en webdesign ©Sione van Walderveen



     
   Gastenboek voor vragen en opmerkingen  op index  pagina