Misene vandaag de dag. Hier lag de keizerlijke vloot. Misene (Romeins: Misenum) is zo' n 30 kilometer verwijderd van Pompeii.
Eerst de twee brieven van Plinius de jongere aan Tacitus. Dan nog wat informatie over Plinius de oudere en de jongere.
Plinius de oudere
De dood
van Plinius
Tacitus
Angelica Kauffmann 1785
Plinius de jongere en
zijn moeder in Misenum
Plinius de oudere
Plinius de oudere, ofwel Gaius Plinius Secundus werd in 23 na Chr.geboren in Como. Als zoon uit een rijke familie kreeg hij een goede opvoeding.
Als deel van zijn (eventuele) politieke loopbaan was hij in 45 gelegerd in Xanten. Dit was een  Romeinse legerplaats in Germania Inferior. Hij nam deel aan de veldtocht tegen de Frisians en Chauci. Dit waren stammen die leefden in wat nu Noord-Nederland heet.
Maar zijn hart lag bij schrijven en de wetenschap. Toen hij in 59 eindelijk terugkeerde naar Italië had hij al drie boeken op zijn naam staan.
Een politieke loopbaan onder keizer Nero liet hij verstandig genoeg maar achterwege. Gelukkig had hij geld genoeg om een rustig leven te kunnen leiden.
Hij schreef o.a. de Naturalis Historia, een soort encyclopedie waarin alle kennis uit die tijd verzameld is.
In 62 kreeg zijn zuster een zoon: Caius Caecilius Secundus. De vader van het jongetje stierf kort na de geboorte en Plinius, die zelf niet getrouwd was, adopteerde zijn neefje als zijn zoon. Dit was Plinius de jongere. Of officieel Gaius Plinius Caecilius Secundus minor.
Toen Vespasianus keizer werd keerde Plinius de oudere terug in de politiek. Vespasianus en zijn zoon Titus waren namelijk oude vrienden van hem. Hij werd procurator in Gallia Narbonensis  and Hispania Tarraconensis. Weer terug in Italië werd hij benoemd tot praefect van de Romeinse vloot in Misenum.
Hier was hij op de fatale 24 augustus 79 toen de Vesuvius uitbarstte.
jaja, je weet, erop klikken dan zie je het pas. Kaart van de stammen die in de tijd van Plinius de oudere in Germania Inferior leefden.
COLONIA ULPIA TRAIANA.
Zo mocht de legerplaats in wat nu Xanten heet zich noemen in ongeveer 100 na Chr. In 200 na Chr.woonden hier 10.000 mensen. Romeinen, Germanen en Galliers.  
De enorme legerplaats is gerestaureerd en te bezoeken. 
Castra Vetera was de naam van de eerste legerplaats die hier aan de Rijn gebouwd werd. Na de vernietiging door de Bataven werd er een stukje verder Castra Vetera 2 gebouwd. Hier zal Plinius wel gediend hebben. Uit deze legerplaatst groeide de stad Colonia Ulpia Traiana.
Romeinse grafstenen uit Xanten
De vermoedelijke route van Plinius de oudere van Misenum naar Stabiae
Epistulae VI, 16
Ge vraagt mij u de dood van mijn oom te beschrijven, opdat uw verslag aan het nageslacht de waarheid zoveel mogelijk nabijkomt. Ik ben u daarvoor
dankbaar; want ik begrijp dat aan zijn dood, als hij door u wordt verheerlijkt, een onsterfelijke roem verzekerd is. Want al is hij omgekomen bij de
verwoesting van de schoonste landstreek tegelijk met volken en steden door een gedenkwaardige gebeurtenis, die hem een eeuwigdurende herinnering
schijnt te waarborgen, al heeft hij zelf veel onvergankelijke werken geschreven, toch zal de onsterfelijkheid van uw geschriften veel tot zijn voortbestaan
bijdragen. Ik voor mij acht hen gelukkig, aan wie de goden de gave hebben geschonken óf dingen te doen, die het beschrijven óf dingen te
beschrijven, die het lezen waard zijn; maar het gelukkigst hen, aan wie beide is gegeven. Tot die laatsten zal mijn oom behoren, door zíjn boeken
en door de uwe. Een reden te meer om te aanvaarden wat ge me opdraagt Ja erom te vragen.
Hij was in Misenum, waar hij persoonlijk het commando voerde over de vloot. Op de 24ste augustus, ongeveer om één uur ’s middags, maakte
mijn moeder hem opmerkzaam op een wolk van ongewone grootte en aanblik. Mijn oom had zijn zonnebad genomen en daarna zijn koudwaterbad,
hij had ontbeten op zijn rustbank en lag daar nu te werken. Dadelijk vroeg hij om zijn schoenen en hij beklom een heuvel, vanwaar men dat vreemde
schouwspel het best kon waarnemen. Een wolk steeg op (men kon van uit de verte niet duidelijk zien, uit welke berg; later bleek het de Vesuvius
te zijn) waarvan het voorkomen en de gedaante zich het best laat vergelijken met een pijnboom.
Epistulae VI, 20
Hoog oprijzend als met een lange stam verbreidde hij zich later met een soort van takken, vermoedelijk, omdat hij door een eerste aanblazing omhoog
gestoten bij het verzwakken daarvan aan zich zelf werd overgelaten of door zijn eigen gewicht gedwongen in de breedte uitvloeide. Nu eens was
hij wit, dan weer vuil en gevlekt, naar gelang hij as of aarde meevoerde.
Mijn oom, een man van wetenschap, vond het merkwaardig en de moeite waard om van dichterbij te onderzoeken. Hij liet een jacht zeilklaar
maken; hij vroeg mij of ik hem wilde vergezellen; ik antwoordde dat ik liever aan mijn werk wilde blijven; toevallig had hij mij zelf een onderwerp
opgegeven. Juist toen hij de deur uitging, kreeg hij een briefje uit Retina, van Bassus, die verschrikt was door het van dichtbij dreigende gevaar; want
zijn landhuis lag aan de voet van de berg en vlucht was alleen mogelijk met een schip. Hij smeekte hem uit zijn hachelijke toestand te redden. Terstond
verandert mijn oom van plan; wat hij uit weetgierigheid was begonnen, volvoert hij met heldhaftigheid. Hij brengt vierriemers in zee en gaat zelf aan boord
om hulp te brengen niet alleen aan Bassus, maar aan velen; want die bekoorlijke kust had veel vreemdelingen getrokken. Hij spoedt zich daarheen, vanwaar
anderen vluchten; recht de steven, recht het roer gericht naar het gevaar, zo onbevreesd, dat hij alle verschijnselen, alle wisselingen van die
natuurramp, naarmate hij ze voor ogen kreeg, liet optekenen of zelf optekende.
Reeds viel er as op de schepen, heter en dichter naarmate wij naderden; toen ook puimstenen en zwarte stenen, door het vuur geblakerd en gebarsten;
bergstorting veroorzaakte ondiepte en maakte het onmogelijk daar te landen. Een ogenblik aarzelde mijn oom of hij zou omkeren, maar toen de
stuurman hem dat aanried, riep hij uit: ‘Die waagt, die wint; zet dan koers naar Pomponianus.’ Deze was in Stabiae, aan de andere kant van de golf;
want de kust maakt een geleidelijke, maar diepe bocht. Hoewel het gevaar daar nog verder af was, maar toch duidelijk te zien, en steeds groter werd
en naderkwam, had Pomponianus zijn huisraad in bootjes geladen, vastbesloten om te vluchten als de wind, die op de kust stond, was gaan liggen. Diezelfde
wind dreef mijn oom met snelle vaart daarheen; hij omarmde zijn angstige vriend, troostte hem, sprak hem moed in en om diens vrees door
eigen kalmte te bedaren, liet hij zich naar de badkamer brengen. Na het bad ging hij aanliggen aan tafel en at hij, opgewekt gestemd of, wat even
moedig is, opgewektheid voorwendend.
Intussen laaiden uit de Vesuvius hier en daar brede vlammen en hoge branden op, waarvan de gloed en helderheid werden verhoogd door de duisternis van
de nacht. Om de angst van de anderen te verzachten hield mijn oom niet op te verzekeren dat de boeren in de haast verzuimd hadden hun vuren te doven en
dat de verlaten huizen nu eenzaam stonden te branden.
Daarna ging hij te ruste en hij sliep werkelijk; want door zijn corpulentie had hij een zware en dreunende ademhaling, die door de mensen die aan zijn
deur luisterden, werd gehoord. Maar de binnenplaats tussen slaap- en woonkamer was vol as en puimstenen, tot zulk een hoogte, dat hij, als hij
langer in de slaapkamer bleef, er niet meer uit kon komen. Dus werd hij gewekt en hij kwam te voorschijn en voegde zich weer bij Pomponianus en de
overigen, die niet waren gaan slapen. Samen overlegden zij, of ze in huis zouden blijven of buiten rondlopen. Want het huis stond te wankelen door
herhaalde hevige aardbevingen; het leek wel of het huis  losgeraakt van zijn fundament en heen en weer schoof. Daar stond tegenover dat men onder de
blote hemel te vrezen had voor de vallende puimstenen, al waren die licht en poreus. Toch gaf men na vergelijking van de gevaren aan het laatste de
voorkeur. Bij mijn oom won de ene overweging het van de andere, bij de anderen was de ene angst groter dan de andere. Zij bonden kussens met
lakens vast op hun hoofd, tot bescherming tegen al wat er viel.
Reeds was het overal dag, maar daar nacht, zwarter en dichter dan er ooit een nacht was geweest, enigszins verhelderd door tal van fakkels en allerlei lichten.
Men besloot naar het strand te gaan en van dichtbij te zien, of de zee al enige kans op vertrekken bood. Maar de zee bleef even woest en vijandig.
Men spreidde een laken uit, waarop mijn oom ging liggen; hij vroeg een paar maal om koud water en dronk. Toen naderden vlammen en zwaveldamp,
de voorbode van vlammen, die hem wakker maakten en anderen op de vlucht dreven. Steunend op twee slaafjes stond hij op en zakte dadelijk weer
ineen; ik vermoed dat door de dichte damp de adem hem werd benomen en de luchtpijp gesloten, die van nature zwak en nauw was en dikwijls ontstoken.
Toen het daglicht terugkeerde (de derde dag na zijn laatste) vond men zijn lichaam, ongeschonden en ongedeerd, geheel gekleed. Hij geleek meer op een slapende dan op een dode.
Ondertussen waren mijn moeder en ik in Misenum. Maar dat heeft niet met het verhaal te maken en gij hebt alleen geďnformeerd naar zijn dood. Dus
eindig ik. Alleen nog dit: ik heb alles verteld wat ik had bijgewoond en wat ik gehoord had terstond na de ramp; dan stemmen de berichten het meest
overeen met de waarheid. Gij kunt eruit nemen wat ge wilt. Want het is heel iets anders een brief te schrijven dan een geschiedverhaal, te schrijven voor
een vriend dan voor allen.
Vaarwel.
Plinius, Epist. VI 16
Ge schrijft mij dat de brief, die ik u op uw verzoek heb geschreven over de dood van mijn oom, de begeerte in u gewekt heeft te vernemen wat ik,
toen ik in Misenum was achtergebleven – daar had ik mijn verhaal afgebroken – voor angsten en gevaren heb verduurd.
(Al gruwt mijn hart bij de herinnering, Ik zal beginnen.)
Na het vertrek van mijn oom, besteedde ik de tijd, die mij resttte, aan mijn werk; want daarom was ik thuis gebleven. Toen een bad, een maaltijd, een
onrustige en korte slaap. Al vele dagen hadden wij aardschokken gevoeld, weinig verontrustend; daar zijn we in Campanië immers aan gewend. Maar in
die nacht werd het zo erg, dat alles niet scheen te bewegen, maar onderste boven te worden gekeerd.
Mijn moeder stormde mijn kamer binnen; ik was juist bezig op te staan om haar te wekken, voor het geval zij sliep. Wij gingen zitten op het terras tussen
ons huis en de zee, een korte afstand. Moet ik het standvastigheid noemen of onbezonnenheid (ik was achttien jaar), maar ik vroeg om mijn Livius en begon,
alsof er niets aan de hand was, te lezen en het uittreksel, waarmee ik begonnen was, voort te zetten.
Plotseling stond voor ons een vriend van mijn oom, die kortgeleden uit Spanje was gekomen om hem te bezoeken. Toen hij mijn moeder en mij zag
zitten en mij zelfs zag lezen, verweet hij haar haar lijdzaamheid, mij mijn zorgeloosheid. Wat me niet belette mij in mijn lectuur te blijven verdiepen.
De dag brak aan, maar het licht was nog mat en als het ware kwijnend. De omliggende huizen schudden hevig en al zaten wij op een open plek, de plek was
nauw en er was stellig groot gevaar om bedolven te worden. Toen besloten we toch maar het stadje te verlaten; de bevolking kwam verbijsterd achter ons
aan en verkoos - en dat is bij een paniek een vorm van wijsheid -  boven haar eigen beleid dat van een ander. Een lange rij mensen volgde ons op de voet
en drong ons voort. Toen wij buiten de huizen waren, bleven wij staan. Daar beleefden wij veel wonderlijke, veel angstige dingen.
Hoewel het terrein volkomen vlak was, rolden de wagens, die wij hadden laten halen, nu eens vooruit, dan weer achteruit en zelfs toen er stenen onder
de wielen waren gezet bleven zij niet op hun plaats. Bovendien zagen wij hoe door de aardbevingen de zee als het ware zich zelf verzwolg en werd teruggedrongen.
In elk geval was het strand breder geworden en bleven veel zeedieren op het droge zand achter.
Aan de landzijde hing een zwarte en dreigende wolk, gescheurd door kronkelende en sidderende flitsen van vuur en lange vlammende
stralen spuwend; het leken bliksemschichten, maar zij waren groter.
Toen werd het die vriend uit Spanje, waarvan ik sprak, te machtig en hij riep met groter nadruk: ‘Als uw broer, als je oom nog leeft, dan wenst hij,
dat gij gespaard blijft; als hij is omgekomen, dan heeft hij gewenst dat gij hem zoudt overleven. Waarom talmt ge dan om de vlucht te nemen?’
Wij gaven ten antwoord dat wij niet zo laf zouden zijn om, zolang wij over zijn behoud in het onzekere waren, voor het onze te zorgen.
Toen aarzelde hij niet langer, maar hij maakte zich uit de voeten en liep zo hard hij kon om aan het gevaar te ontkomen.
Niet veel later daalde die wolk neer over de aarde en bedekte de zee; Capri werd omhuld en aan het oog onttrokken, evenals de landtong van Misenum.
Toen smeekte, vermaande, beval mijn moeder mij tot elke prijs de vlucht te nemen; ik, jong als ik was, kon dat; voor haar, door haar lichaam en haar
leeftijd bezwaard, zou het een mooie dood zijn, als zij niet de oorzaak werd van de mijne.
Maar ik zeide dat ik alleen gered wilde worden met haar. Ik nam haar bij de arm en dwong haar de pas te versnellen. Zij gaf aarzelend toe en verweet zich dat
ze mij vertraagde.
Er viel een asregen, maar nog niet dicht. Ik keek om: een dikke nevel bedreigde ons in de rug en achtervolgde ons als een over de aarde uitgegoten vloed.
‘Laten we,’ zei ik, ‘van de weg af gaan, zolang we nog kunnen zien; anders worden we, als we vallen, door de mensen die achter ons aan komen in het donker onder de voet gelopen.’ Nauwelijks zaten we of de nacht kwam, niet als een nevelige nacht zonder maan, maar zo donker als in een gesloten kamer, waar het licht is uitgegaan. Men hoorde het gejammer van vrouwen, het geschrei van kinderen, het geschreeuw van mannen.
Ze zochten elkaar, ze herkenden elkaar alleen door de stem, de een zijn ouders, de ander zijn kinderen, weer een ander zijn vrouw. Sommigen beklaagden
hun eigen lot, anderen dat der hunnen. Er waren er, die uit vrees voor de dood om de dood baden. Velen strekten de handen ten hemel; nog meer
verklaarden dat er geen goden meer bestonden en dat dit de laatste nacht, een eeuwige nacht voor de wereld was. Ook ontbrak het niet aan mensen die
het werkelijke gevaar vergrootten door allerlei schrik aanjagende leugens en verzinsels. Zij kwamen met het bericht dat in Misenum dit huis was ingestort,
dat dat in brand stond; valse berichten; maar zij vonden geloof.
Het werd iets lichter; maar wij hielden het niet voor daglicht, maar voor een bewijs van naderend vuur. Het vuur bleef gelukkig op een afstand; maar
er kwam opnieuw duisternis en weer as, veel en dicht. Wij moesten telkens opstaan en die afschudden; anders waren wij eronder bedolven en door
het gewicht doodgedrukt. Ik zou mij erop kunnen beroemen, dat mij in zo grote gevaren geen zucht ontsnapte, geen enkel woord dat van zwakheid
getuigde. Maar ik vond het een grote troost dat ik te gronde ging met alles en alles met mij.
Eindelijk verdunde zich die dichte damp en loste zich op als in rook of nevel; weldra kwam het daglicht en scheen zelfs de zon, maar vaal, als bij een
zonsverduistering. Aan onze nog onzekere blikken vertoonde alles zich in veranderde toestand en met een hoge laag as bedekt als met sneeuw.
Wij keerden naar Misenum terug en verzorgden ons lichaam zo goed wij konden. Wij brachten een anstige nacht door, zwevend tussen hoop en vrees.
Maar de vrees behield de overhand; want de aardbeving hield aan en velen, door schrikwekkende voorspellingen verbijsterd, liepen rond, spottend
met hun eigen ellende en die van anderen. Ook toen dachten wij niet aan heengaan, hoewel we grote gevaren hadden doorstaan en nieuwe verwachtten;
wij wilden eerst bericht afwachten over mijn oom.
Dit verhaal is geen plaats in een geschiedwerk waardig. Lees het en neem het niet op; als ge het zelfs geen brief waard vindt, wijt dat dan aan u zelf;
want gij hebt erom gevraagd.
Vaarwel.
Plinius, Epist. VI 20
Vertalingen: Dr. M.A. Schwartz
Plinius de jongere
En dit is dus de bewuste man die als 17 jarige de uitbarsting van de Vesuvius meemaakte en hierover schreef aan zijn grote vriend Cornelius Tacitus.
Hij schreef deze brieven jaren na dato.(Om precies te zijn 27 jaar later)
En misschien wilde hij indruk maken op zijn oudere en veel wijzere  vriend Tacitus door te doen of hij echt rustig aan het studeren ging tijdens de uitbarsting ?
Xanten


Onderzoek, tekst en webdesign ©Sione van Walderveen



     
   Gastenboek voor vragen en opmerkingen  op index  pagina