De gladiator van Verona. deel 1. (deel 2 en slot)
Hij was de trots zijner moeder, haar eer, haar wellust, haar glorie, Varro, de jeugdige zwaardvechter, die in de gladiatorenschool van den
drilmeester Lartius was opgeleid en onderwezen, en zich daar vooral in het vechten met wilde dieren had geoefend.
Poppéa, thans eene vrouw van nog geen veertig jaar, meende wel te weten wie zijn vader was, maar die centurio, met het legioen, waartoe hij
behoorde, naar Germania gegaan, was nooit teruggekeerd; althans zij had hem nooit wedergezien, nooit meer van hem gehoord, en, indien hij
nog leefde, hij had zich toch om haar noch haar kind bekommerd.
Ook was hij reeds vertrokken, toen zij haar kind ter wereld bracht en zij had den jongen eerst gezoogd, vervolgens gevoed en verzorgd,
zonder de afwezigheid of de vergeetachtigheid van zijn vader te betreuren. Er waren er zoovelen, die met haar in hetzelfde geval verkeerden
en de toestand van die vrouwen en moeders, die voor de vaders van hare kinderen voortdurend slavinnendienst verrichten mochten, scheen
haar niet zoo gelukkig toe, om haar afgunst op te wekken.
Zij had genoeg aan haar Varro; zij wist voor hem en zichzelf de kost op te halen; zij waakte er voor, dat hij geen broertje of zusje meer kreeg.
Wat zou zij meer verlangd hebben, dan hem te zien groeien, gezond blijven en sterk worden? Als hij wel gevoed, 's zomers in de schaduw op
de steenen, 's winters onder een afdak op eene oude plank met een wollen lap onder zijn hoofd lag te slapen, of wakker geworden, rondom
haar zitplaats eerst kroop, later heen en weder dribbelde, vroeg zij geene andere vreugde terwijl zij hem gadesloeg, en haar moederhart
smaakte de zaligste voldoening, als zij bij haar kind, dat door geen kleedingstuk gedekt, naakt gewoonlijk, onder den vrijen hemel opwies, de
toenemende kracht van
spieren en gewrichten en de schoone, zich meer en meer ontwikkelende evenredigheid van alle lichaamsdeelen kon opmerken. Zij nam ook
slechts één godsdienstplicht waar. Varro's verjaardag kon zij gemakkelijk onthouden, want hij was geboren juist één dag voor den aanvang
der Saturnaliën en 's jaarlijks op dien dag offerde zij voor hem aan den God der Gezondheid een haan.
Toen hij wat ouder werd, had zij menigmaal, vooral in de buurt waar zij woonde, twist over hem met andere kinderen, ook met mannen en
vrouwen. Zij zelf ontzag zich volstrekt niet, al wekte zij daardoor ook felle jaloezie op, om de vlugheid, de kracht, de schoonheid van haar
zoontje te prijzen, met minachting te spreken over de knapen, welke zij bij hem vergeleek en praalziek te roemen, dat hij hen allen overtrof.
Varro bevestigde ook dikwijls hare woorden, hetzij door zijns gelijken in het plegen van allerlei baldadigheden voor te gaan, hetzij door hen,
indien zij zich niet aan zijn wil onderwierpen en het waagden zich tegen hem te verzetten, de kracht van zijn arm te doen gevoelen. Dan werd
in die buurt, of hier of daar, op eene markt, in eene werkplaats, waar zij haar zoontje had medegenomen, geschreeuwd, geschimpt,
gescholden, en Poppéa was van tong even vlug als haar zoontje van voet. Varro vluchtte gewoonlijk, als hij op het een of ander kattekwaad
werd betrapt, naar zijne moeder en bleef daar, terwijl hij haar bij het nederhangende gewaad vasthield, met uittartende blikken zijne vijanden,
tegen wie hij door haar werd verdedigd, aanzien. Niemand waagde het dan de hand naar hem uit te strekken, maar toch werd Poppéa op
zekeren dag bevreesd voor de giftige blikken, welke eene oude vrouw, wier kleinzoon door Varro was omvergeloopen, den sterken knaap
toewierp, en hij zelf, ook verschrikt door den haat en den moordlust, die hem tegenfonkelden, verborg, tegen zijne gewoonte, zijn gelaat in de
plooien van haar kleed. Poppéa vond daarin aanleiding om zeer zorgvuldig eenig geld te besparen, zoodat, toen Varro eens weder een ruw
linnen hemd zonder mouwen en slechts met een dunnen lijfgordel om zijn middel bijeengehouden aankreeg, zij hem tegelijk een leder riempje
om den hals kon binden, waaraan een kleine amulet, in een stukje perkament gewikkeld, hing; zij had het ding van een rondreizenden
slangenbezweerder gekocht en het beschermde tegen het booze oog.
Zoo groeide de knaap op, tot hij zijn tiende jaar ongeveer
bereikt had, zonder dat over zijne toekomst eigenlijk nog ooit door zijne moeder was nagedacht. Zij zelf leefde bij den dag; zoo had zij ook
door hare ouders zien doen, die, toen zij nog geen dertien jaar telde, haar aan haar lot hadden overgelaten, plotseling uit Verona waren
verdwenen, door een noodlottig toeval omgekomen of vermoord, dat wist Poppéa niet recht, en Varro begon haar reeds nu en dan bij haar
dagelijkschen arbeid te helpen. Het was geen vast geregeld werk; het zou moeite gekost hebben hem daaraan te gewennen, maar zijne moeder
eischte het ook niet, evenmin als zij zelf hem er het voorbeeld van gaf. Hij kon echter reeds eene, voor zijn leeftijd en zijne grootte, zeer
zware vracht op zijne schouders laden en nog beter op zijn hoofd. Zijne glanzig zwarte, een weinig krullende haarlokken vormden als een
kussen, waarop een korf met vleesch of visch, een bak met vruchten of groente vast kon staan, en als hij, in de hoop op een lekker hapje,
zijne moeder volgde of, door haar uitgezonden, een paar straten er mede voortliep, dan kwam de veerkracht van zijn stevigen lichaamsbouw
met bewonderingswaardige schoonheid uit. Zijne knieën trilden niet; hij had geen krommen rug, geen te langen, machteloozen hals. Forsch
maar door zijne kleine voeten toch licht van tred, strekte hij de sterke beenen uit; zijne borst welfde zich, door den terugwijkenden buik niet
gehinderd, en gesteund door zijne breede heupen; zijne nekspieren stonden als van staal en de spierkracht zijner armen bleek ruimschoots
voldoende, als hij hen zonder eenige overspanning uitstrekte om eene vracht op zijn hoofd te beuren of er af te nemen.
Ook dwong hij soms, alleen door aangeboren lust tot oefening van de kracht en de lenigheid zijns lichaams aangedreven, eenige knapen van
zijn leeftijd om hem daarbij te dienen. Hij vocht niet met hen; met een ruk, met een duw noodzaakte hij hen te gehoorzamen. Slechts als er
een grootere jongen bij was, die zich niet naar zijn wensch voegen wilde, nam Varro hem een oogenblik onder handen en dat was meestal
genoeg om ook den ouderen knaap, indien hij niet schreiend loopen ging, onderworpen zijne plaats in de rij der dienstbaren te doen innemen.
Meisjes van zijn leeftijd vond Varro daarbij te lastig; zij maakten door eene zonderlinge overmacht hem terstond aan het lachen en dan kon hij
niet springen, niet buitelen.
Hij liet namelijk de jongens op de knieën liggen en voorover met de handen op den grond steunen; hij rangschikte liefst
hen, tien of twaalf, op een kleinen afstand van elkander; dan ging hij bij den eerste staan, zijwaarts, boog zich voorover tot ook zijne handen
den grond raakten en buitelde dan over hen allen achtereenvolgens heen. Ten slotte viel hij zelf ook op de knieën en nam de houding om over
zich heen te laten tuimelen aan, maar slechts een enkelen keer vermocht deze of gene hem al die sprongen na te doen en als zij niet luchtig
over hem heenvlogen, maar op zijn rug wat zwaar neerkwamen, dan smeet hij, zonder zijne handen te gebruiken, hen met een forschen
lichaamszwaai van zich af.
Ook schikte hij wel eens drie of vier jongens aldus naast elkander om met één sprong over hen heen te buitelen; dan nam hij een aanloopje,
om voor zijne buiteling meer kracht te hebben en bij zulk eene gelegenheid gebeurde het, dat hij onverhoeds, door het genot der
lichaamsbeweging, waartoe hij zich in staat gevoelde, medegesleept, zijne buiteling maakte zonder met zijne handen den grond te raken. Recht
en ongedeerd kwam hij dus op zijne voeten neer. Hij was er door verrast, maar hij werd er ook op verlekkerd en niet lang na deze eerste
proeve was het hem telkens een genot, hetzij in het gezelschap zijner makkers, hetzij maar alleen, hoog in de lucht op te springen, daar om te
buitelen en met een schaterlach, vooral als zijne moeder naar hem zat te kijken en in de handen klapte, op zijne voeten neer te komen. Hij
werd, door zijne natuurdrift grootendeels geleid, met dergelijke oefeningen dagelijks meer vertrouwd; hij kon spoedig op zijne handen loopen;
hij kon in het zand op zijn hoofd staan; dan vouwde hij ook nog de armen over zijne borst en droeg met zijn sterken nek zijn geheele lichaam
in evenwicht.
Hij vermaakte zich ook eens op die wijze, terwijl naast zijne moeder op het voetstuk van eene zuil der korenmarkt tegenover het
Amphitheater een man zat, met wien zij voor eenige weken, zoolang hij in Verona vertoefde, eene gemeenzame betrekking onderhield;
meermalen nam zij gaarne zulk eene gelegenheid waar, vooral omdat zij aldus, zonder eene verbintenis aan te gaan, die hare vrijheid
belemmerde, Varro en zichzelf voor dien tijd van allen zwaren arbeid ontheffen en toch een onbezorgd leven verschaffen kon. Die man,
Pyrrho genaamd, behoorde tot een gezelschap van equilibristen en funambulen, die na eerst in Rome hunne kunsten vertoond te hebben, de
steden van Noord-Italië bezochten en overal luide werden toegejuicht. Het
gezelschap was echter door de ongelukken, welke sommige leden bij hunne gewaagde sprongen en halsbrekende toeren getroffen hadden,
aanmerkelijk gedund en daarom ook moest wel bij Pyrrho het verlangen oprijzen, om den knaap, bij wien hij een bijzonderen aanleg voor
buitengewone lichaamsoefeningen ontdekte, aan zijne leiding te zien toevertrouwd en op zijne zwerftochten mede te nemen.
‘Waarlijk, Poppéa!’ zeide hij, terwijl Varro na een dartelen luchtsprong glimlachend voor hen stond, ‘ik heb het al meermalen gezegd; gij
moest den jongen in ons gezelschap laten opnemen. Vertrouw hem mij toe en gij zult eens zien, welke kunsten hij leert!’
‘Ik zou er volstrekt geen bezwaar tegen hebben,’ antwoordde zij, ‘indien gij hier kondt blijven wonen, maar gij zoudt er zelf niet op gesteld
zijn, dat ik met het gezelschap mede trok.’
Pyrrho kon noch wilde tegen hare veelbeteekenende en ware opmerking iets inbrengen; hij stond op en stak Varro zijne beide handen toe.
‘Zoudt gij op mijne schouders kunnen staan?’ vroeg hij.
‘Dat zal wel gaan,’ zei Varro.
‘Kom dan!’ Hij tilde den jongen op en wilde hem eerst op zijne schouders laten zitten, maar Varro ging er terstond op staan.
‘Staat ge vast?’ vroeg Pyrrho.
‘Daar zal ik voor zorgen,’ verzekerde Varro. Hij drukte, zoo stevig als hij kon, met de enkels tegen Pyrrho's hoofd; hij deed hem pijn.
‘Ge behoeft niet zoo te knijpen,’ riep de equilibrist; ‘kunt ge niet losser staan?’
‘Zeker!’ Varro plaatste rechts en links zijne voeten op Pyrrho's breede schouders.
‘Nu vastgestaan en opgepast! Bewaar het evenwicht! De armen over de borst gekruist evenals ik!’ klonk het bevel.
De knaap gehoorzaamde.
Pyrrho liet zich eerst op ééne knie, vervolgens op beide zakken, langzaam, voorzichtig en rees evenzoo weder op.
Varro bleef, zonder te beven of te wankelen, staan.
‘Strek nu de armen uit!’ beval Pyrrho en gaf zelf er het voorbeeld van. ‘Zijt ge gereed?’
‘Ja, vooruit maar!’ riep Varro.
Pyrrho begon zachtjes aan rond te draaien, langzamerhand
een weinig sneller. Eindelijk strekte hij de armen omhoog: ‘Kom er maar af!’
‘Mag ik niet naar beneden duikelen?’ vroeg Varro.
‘Ja wel, maar hoe zult ge dat doen?’
Zonder een woord meer te zeggen greep Varro zich plotseling in de zware haarlokken van Pyrrho vast en buitelde voorover nederwaarts,
zoodat de equilibrist bijna op de knieën viel.
‘Ondeugende schelm!’ riep hij Varro toe, die, zoodra hij grond onder de voeten voelde, zich buiten het bereik van Pyrrho's handen en achter
zijne moeder in veiligheid gebracht had; ‘Ondeugende schelm! Is mij dat bij de haren trekken!’
Maar Varro lachte en Poppéa stemde met hem in.
Pyrrho streek zijne haren achterwaarts en hij glimlachte ook alweer, toen hij den knaap toeriep: ‘Nu, kom nog eens hier!’
Zoo wat schoorvoetend trad Varro hem een paar schreden nader.
‘Kom maar gerust hier!’ Pyrrho knikte vriendelijk.
Toen de knaap echter binnen zijn bereik was, gaf hij hem met den duim van zijne rechterhand een duw tusschen de ribben, maar Varro gaf
hem een flinken stomp terug en toen Pyrrho hem bij den linkerarm vasthield en een klap op de rechterwang gaf, ontving hij er ook een op zijn
eigen rechterwang, die klonk.
‘Gij betaalt knapjes!’ merkte hij op. Inderdaad, Varro kende eigenlijk geene vrees.
‘Ga nu eens, met den rug naar mij gekeerd, staan!’ vroeg Pyrrho. Varro stemde toe en deed alzoo.
Pyrrho strekte aan weerszijden van den knaap de armen uit. ‘Steun nu met uwe handen op de mijnen; doe op een teeken, dat ik geven zal,
een sprong; kunt ge zoo, namelijk als ik tegelijk een stap vooruit doe, op mijne schouders komen te staan?’
‘Ik zal mijn best doen!’ beloofde Varro.
‘Goed! Let op! Een, twee, drie!’
Varro stond op de schouders van Pyrrho en klapte vroolijk met de losgelaten handen.
‘Kunt gij het evenwicht bewaren, als ik mij voor- en achterwaarts buig?’
‘Dat denk ik wel.’
‘Geef acht!’ Pyrrho verschoof zijn rechterbeen, zoodat hij er op steunen kon, terwijl hij zijn bovenlijf achterwaarts boog, totdat hij Varro
bijna recht boven zich zag. De knaap verschikte vlug zijne voeten, tot bijna tegen het stevige borstbeen van Pyrrho aan.
Langzaam richtte de equilibrist zich op. ‘Nu voorover!’ waarschuwde hij en boog zich met het hoofd naar den grond, terwijl hij op zijn
linkerbeen steunde. Varro week van de schouders naar den breeden bovenrug en daarna stonden zij beiden weder recht op.
‘Als ik mij geheel voorover buig, kunt gij dan op uwe voeten den grond bereiken, zonder mij met de handen aan te raken?’
‘Ga uw gang maar!’
Pyrrho was waarlijk benieuwd naar de uitkomst van dit waagstuk. Dus weder langzaam boog hij zich, thans echter geheel voorover, maar
Varro klapte in de handen. Als een vogel zoo vlug streek hij op den grond neer en liep naar zijne moeder, bij wie hij een paar vijgen, welke zij
hem toereikte, ging zitten opsnoepen.
‘Gij moet den jongen althans de volgende week, als wij voor de duumviri in het Amphitheater eene voorstelling geven, met ons laten
meêdoen?’ zeide Pyrrho tot Poppéa.
‘Daar heb ik niets tegen,’ antwoordde zij, ‘als namelijk Varro er zin in heeft.’
‘Ik doe meê,’ verzekerde de knaap stoutmoedig.
‘Zoo? Maar,’ merkte Pyrrho aan, ‘'t is de vraag nog of ge niet duizelig wordt, als ge in de hoogte staat.’
Varro schudde ontkennend het hoofd.
‘Wij zullen zien,’ hernam Pyrrho; ‘morgen ochtend kunt ge met mij medegaan.’
Eenige dagen later, - het was in den namiddag en de koordedansers zouden den volgenden middag voor de duumviri en hun gevolg, door het
grootste gedeelte van Verona's inwoners omringd, optreden; - waarschuwde Pyrrho Poppéa: ‘Zie straks eens uit naar den hoogsten ringmuur
van het Amphitheater.’
‘Waarom?’ vroeg zij.
‘Dan zult ge zien, dat Varro niet duizelig wordt. Waarlijk, hij moet met ons meê!’
Poppéa drentelde dus langs het Amphitheater rond en keek telkens naar boven. Nadat zij een half uur misschien gewacht had, zag zij, dat
Pyrrho bezig was aan één der zuilen, die in een onafgebroken rij de hoogste verdieping van het Amphitheater uitmaakten, een koord vast te
binden, dat van daar naar beneden werd geleid en waarlangs hij in de arena zou afdalen. Zij zag vervolgens hem van daar langs een ladder
opklauteren naar den
steenen bovenrand, die de zuilen verbond; hij werd door Varro gevolgd. Toen zij beiden er bovenop, hoog in de lucht stonden, plaatste
Pyrrho den knaap op zijne schouders. Varro strekte de armen uit en wuifde zijne moeder toe, terwijl Pyrrho over het smalle pad
voortwandelde. Eindelijk stond hij stil; beiden zagen naar beneden, naar de vrouw, die in opgetogenheid hen gadesloeg en hen glimlachend
toeknikte. Toen greep Varro weer Pyrrho in de haren en tuimelde langs hem neer; daarna verdwenen zij uit de oogen der gelukkige moeder.
Den volgenden dag werd die moedertrots niet minder gestreeld. Terwijl Pyrrho langs het touw, van de uiterste diepte der arena tegenover de
zitplaats van de duumviri naar boven liep tot den bovensten rand der hoogste verdieping, stond Varro, met de armen op de borst gevouwen,
op zijne schouders. Zijne moeder had hem de amulet laten omhouden, maar verder was hij geheel naakt en droeg slechts een sluier om de
lenden. Toen zij nederdaalden, strekte Varro evenals Pyrrho de armen uit en nauwelijks hadden zij den vasten grond weder bereikt, terwijl
Pyrrho het zweet afdroogde, dat hem door de uiterste inspanning om het evenwicht te bewaren was afgeperst, daar greep Varro, zonder iets
gevraagd of afgesproken te hebben, het strak gespannen koord en klauterde, als eene kat met handen en voeten zich reppende, naar boven, de
zitplaats van de duumviri voorbij, boven de hoogste staanplaatsen uit, naar de zuilenrij. Toen hij daar gekomen was, liet hij de beenen hangen,
hield zich nog met de linkerhand vast en groette bevallig met de rechter de hem toejuichende menigte.
‘Mooi zoo! Laat u nu maar vallen, mijn jongen!’ riep eene krachtige stem hem toe.
Varro zag omlaag. Hij kende het gelaat van den man, die zijne forsche armen naar hem uitstrekte; het boezemde hem vertrouwen in; hij liet
zich nedervallen en werd ook behendig opgevangen.
De man vroeg zijn naam en zijne woonplaats en liet hem toen gaan, want Varro hunkerde naar zijne moeder, die een weinig verder afstond.
Zij had visch en koek en wijn voor hem en zij bediende hem, terwijl zij door de gelukwenschen, welke men haar toebracht, schier bedwelmd
werd. Zij had tranen van vreugde in de oogen. Welk een jongen! Kon de centurio, die zijn vader was, en dien zij nooit had wedergezien,
misschien een God zijn geweest?!
Dienzelfden avond nog moesten Varro en Poppéa een gewichtig besluit nemen.
‘Geef mij nu toch den jongen mede?’ vroeg Pyrrho.
‘Houd hem hier en laat ik hem in de leer nemen?’ zeide Lartius, die van de inlichting, door Varro gegeven, gebruik had gemaakt en hen was
komen opzoeken. Hij had in Verona een eigen gladiatorenschool.
‘Gij hebt zijn eersten triumf in onze kunst gezien,’ deed Pyrrho opmerken.
‘Als gij hem laat gaan, ziet ge hem waarschijnlijk nooit weder!’ bracht Lartius daartegen in. ‘Is hij bij mij, dan ontmoet gij hem dagelijks. Gij
beiden blijft eigenlijk bij elkander.’
‘Geheel Italië zal zijne vlugheid toejuichen!’ beloofde Pyrrho.
‘Zijn arm zal bij mij van staal worden, en de dreuning van zijn zwaardslag zal weerklinken tot zelfs in de ooren van den Cesar!’ verzekerde
Lartius.
Aldus bestormden zij Poppéa. Zij meende zich uit de moeielijkheid te redden door Varro zelf te laten beslissen. Maar de knaap zweeg
besluiteloos; hij drong zich echter vaster tegen haar aan en zij verstond dien wenk.
‘Varro blijft hier, bij mij,’ zeide zij. ‘Wij nemen uw voorstel aan, Lartius, maar onder ééne voorwaarde!’
Pyrrho had zich reeds toornig willen verwijderen, maar bij de laatste woorden van Poppéa bleef hij, half van haar afgewend, nog een
oogenblik stilstaan om te hooren welke voorwaarde zou bedongen worden.
‘Ik heb mijn vader dikwijls hooren vertellen,’ ging Poppéa voort, ‘dat hij in zijne jeugd menigmaal als een dapper jager het gebergte inging; ge
weet wel, noordwaarts de Mare Benacum voorbij, naar het Claustrum Veronense?’
Lartius knikte; hij begreep reeds waar zij heen wilde.
‘Mijn vader beroemde zich, dat hij wolven en beren verslagen had. Misschien sprak hij de waarheid, misschien blufte hij, ik ben er niet zeker
van; maar mijn zoon wil ik dapper tegen de wilde dieren zien vechten. Hij moet onder de venatores!’
‘Ik zal een geducht dierentemmer van hem maken,’ beloofde Lartius; ‘hij zal zelfs met leeuwen en tijgers leeren vechten en ik zal hem
zooveel sagina geven als hij lust!’
‘Vet vleesch?’ hernam Poppéa trotsch; ‘denkt gij, dat het hem ontbroken heeft? Al onthieldt gij het hem, ik zou het hem weten te
verschaffen.’
Pyrrho trok verachtelijk de schouders op en verwijderde zich morrend. Lartius bleef nog eenige oogenblikken praten. Zoo kwam Varro onder
de gladiatoren.
Lartius vervulde ook later zijne belofte en toen door Varro, naar zijn leeftijd en naar de vorderingen, welke hij in de voorbereidende
oefeningen gemaakt had, eene bijzondere richting in de vechtkunst moest gekozen worden, trad hij, hoewel voor hem eene uitzondering werd
toegestaan, in den kring der venatores, en werd hij op het strijden tegen en het temmen van wilde dieren zorgvuldig afgericht. Hij moest
natuurlijk in de gladiatorenschool eerst van meet af beginnen en de minste diensten verrichten, maar dat was ook noodzakelijk om hem te
harden, aan onverbiddelijke tucht te gewennen en hem te verheffen boven alles, wat hem voor zichzelf of voor anderen schrik zou kunnen
aanjagen.
Hij leerde wapens poetsen en slijpen, helmen en schilden, totdat zij vlekkeloos en spiegelglad de zonnestralen terugkaatsen, dolken en
zwaarden, totdat er schaard noch vlek meer op te bespeuren viel en zij, waar zij raakten, ook sneden. Hij oefende zich in het strengelen van
lederen riemen om de armen en de beenen der zwaardvechters; zij mochten niet te stijf worden aangehaald, om de spierbeweging niet te
belemmeren en ook niet te los, opdat zij niet zouden afzakken. Die riemen moesten, door hen met olie in te smeren, lenig gehouden worden
en Varro moest tevens gehoorzamen, als een gladiator, voor verstijving van het een of ander zijner lichaamsdeelen beducht, hem beval rug of
lenden, schenkels of kuiten met zulke olie te wrijven. Iets later mocht Varro dienst gaan doen als schildknaap; het werk werd zwaarder; bij
den kampstrijd moest hij, als de zwaardvechters de houten, de onschadelijke, voor de scherpe wapens verwisselden, helm en schild, zwaard
en dolk aanreiken, en als de strijd was geëindigd, de overwonnenen uit de arena helpen sleepen, door de lijkenpoort naar den moordkuil, waar
aan de verslagenen, die nog ademhaalden, de laatste slag gegeven werd, en waar tevens de doode lichamen ontkleed en in de riolen geworpen
werden.
Intusschen hanteerde hij zelf ook de wapens, eerst lichte houten, daarna bijzonder zware ijzeren. Hij moest beginnen met op eene paal,
binnen een afgeteekenden kring, in een gegeven tijdsverloop, onder nauwkeurig omschreven bewegingen, een bepaald aantal kerven te slaan;
daarna werd er een stroopop
voor hem opgehangen, welke hij onbewogen moest laten, tenzij hij er een arm of een been afhakte, of met één slag de geheele pop door
midden sneed. Op bepaalde dagen werd geheel zijn lichaam nauwkeurig opgemeten, zijne armen en beenen, zijn middel, zijn nek, borst en
rug, om zijn groei te kunnen waarnemen en hij stelde met den toenemenden omvang en de wassende kracht zijner spieren de verwachting van
den lanista Lartius niet te leur; hij was en bleef onder zijne tijdgenooten de grootste, de sterkste en tegelijk de vlugste. Daarom vergunde
Lartius hem later ook om bij meer dan één magister in de leer te gaan en hoewel hij reeds onder de aankomende venatores was opgenomen,
zich ook als retiarius met net en drietand te oefenen.
Het kon niet anders, of hij beliep daarbij menigmaal een schram of een krab, maar het gebeurde in den tijd, waarin hij nog kweekeling was,
toch slechts tweemaal, dat hij met eene ernstige wonde bij zijne moeder kwam. Zij verpleegde hem zorgvuldig; zij kuste tot genezing de
breede kloof op zijn linkerarm, door een zwaardslag veroorzaakt en eenigen tijd later de diepe gaten in zijn rechterschenkel, door een
dierenklauw geboord, zoodat zijn bloed langs hare lippen vloeide, maar zij werd niet bedroefd; zij glimlachte trotsch en gelukkig bij de
verhalen, welke hij opsneed en wier waarheid door Lartius bevestigd werd.
Den eersten keer had hij de wonde, hem door zijn tegenpartij toegebracht, nauwelijks gevoeld, of hij was er tot zulk eene grenzelooze woede
door opgewonden, dat hij zijn medekamper had gedood en al de andere toekijkende tirones op de vlucht gejaagd, zelfs een paar oudere
gladiatoren had doen uitwijken en hij was eerst tot staan gebracht, toen de lanista zelf hem door een behendigen zwaai het zwaard uit de vuist
sloeg.
De gaten in zijn schenkel waren hem door een wolf geslagen; de bewegingen van het woeste dier werden wel door eene ketting beperkt, maar
de kring, binnen welken Varro het bevechten moest, was door den magister zoo nauw mogelijk in het zand getrokken en Varro was eerst
verrast. Maar, hoewel het bloed hem langs het been nedergudste, hij was op het dier losgetrokken, slechts met een stok gewapend en hij had
geslagen zoo hard en zoo onophoudelijk en snel, dat de wolf eindelijk dood liggen bleef en Varro hem bij de achterpooten grijpen en over zijn
schouder heentillen en in het zand neder-
smakken kon. Wat zou Poppéa anders gevoeld hebben dan de streelendste voldoening van haar moederhart bij het bezit van zulk een zoon!
Hij was ook de lieveling van Lartius. Overal zou hij onder de jeugdige zwaardvechters hebben uitgeblonken en niemand in deze familia
gladiatorum betwistte hem ook den voorrang. Toen zijn leertijd geëindigd was, stak hij boven allen door zijne lengte uit, en het krachtige
hoofd op den korten en zwaren stierennek was juist geëvenredigd aan de geweldige breedte van zijne borst en zijn rug en aan de forsche
spierontwikkeling van zijne armen en beenen, terwijl hij nauwelijks door een enkele in vlugheid van beweging werd geëvenaard. Lartius
maakte den dag, waarop Varro voor de eerste maal openbaar in het strijdperk trad, tot een waren feestdag; hij wist wel, dat hij met dezen
leerling eer zou inleggen bij al de toeschouwers in het Amphitheater en Varro stond die eerste proef ook glansrijk door.
Hij trad, naar de belofte aan zijne moeder door den lanista gegeven, eerst als venator op. De beer der Alpen, die tegen hem werd losgelaten,
schaafde zijne huid niet eens, raakte hem zelfs niet. Behendig en vast had Varro het dier in den nek gegrepen en drukte het met den muil in
het zand der arena. Het tegenworstelen, het wringen van het lichaam, het woelen met de klauwen, niets kon baten! Het dier werd telkens
dieper neergedrukt, tot het eindelijk stikte en Varro gevoelde, dat hij de kracht zijner beide armen niet meer noodig had. Toen zwaaide hij met
zijne rechterhand het dolkmes en stootte het den beer in den nek. Nog eenige stuiptrekkingen en de overwinnaar zette op het levenlooze
lichaam den voet, terwijl hij de hulde der omringende menigte ontving.
Poppéa was er getuige van; wild sloeg haar hart van trots en vreugde en zij beefde niet, toen Varro weder in het strijdperk trad, hoewel zij
wist, dat de gladiator, met wien hij om de overwinning kampen moest, hem in hun gemeenschappelijken leertijd het meest nabij was gekomen
De uitkomst beantwoordde ook aan hare verwachting. Wel werd door zijn tegenpartij de lans behendig geworpen, maar Varro week niet
slechts bij tijds ter zijde, hij strekte naar de hem voorbijsnorrende lans zijn zwaard uit en onbruikbaar, met gebroken schacht viel het wapen
ter aarde. En toen was de beurt om aan te vallen aan hem. Hij vocht blootshoofds en
daarom vooral had hij het gemunt op den helm met gesloten vizier, welken zijn tegenpartij droeg. Het gelukte hem zijn net er over heen te
werpen en na een paar vruchtelooze pogingen deed een slag van zijn drietand den helm vanéén splijten en ook den schedel daaronder. Zijn
tegenpartij plofte neer in het zand en had geen bewustzijn, geene kracht meer, al zou hij het gewenscht hebben, om genade te vragen.
Hoogst gelukkig keerde Poppéa huiswaarts. Zij wist waarmede Varro den volgenden dag tot haar komen zou, want de liefste en trouwste
leerling van den lanista genoot meer vrijheid dan zijne makkers, en hij kwam ook. Hij toonde haar het langwerpig, ivoren blaadje, de tessera
gladiatoria, waarop zijn eigen naam vermeld stond bij dien van zijn meester, ook de dag van zijn eersten strijd en ook zijne dubbele zegepraal.
Hij was geen leerling meer; hij behoorde voortaan tot de beproefden, de uitnemenden, de spectati. Hij at van de lekkernijen, welke Poppéa
voor hem gereed had en dronk van den wijn, welken zij in eene geleende drinkschaal hem toereikte. Zij zaten op straat, met de hoofden in de
schaduw der huizen, maar voorts onder den gloed der heldere zou, en jeugdige knapen en meisjes in de rondte staarden moeder en zoon met
eerbiedige bewondering aan,. Mannen en vrouwen kwamen naderbij en stonden een oogenblik stil of zaten wat langer bij hen, maar allen met
woorden van waardeering en lof. Het belangrijkste wat men zeide, geloofde Poppéa ook: Varro behoorde thans onder de beproefden; het zou
niet lang duren, of, al was hij nog jong, door zijne herhaalde overwinningen zou hij weldra onder de veteranen gerekend worden!
Eer het echter zoo ver kwam, deed Poppéa nog eene geheel andere ondervinding met hem op. Op een achtermiddag, terwijl de avond reeds
begon te vallen en zij de deur van haar armoedig en donker vertrekje had opengezet, om bij het licht, dat nog door die opening drong, een
kwartier of een half uur langer met spinnen te kunnen voortgaan, stond hij plotseling voor haar. Hij moest bukken om te kunnen binnentreden
en zijn reusachtig lichaam vulde bijna het geheele vertrek, zoodat Poppéa eerst niet zag, dat hij niet alleen was. Hij droeg voetzolen, die met
riemen boven zijne enkels en zijne hielen waren vastgehecht; zijn opperkleed zonder mouwen viel hem over de knieën, en daaronder droeg hij
om zijn middel den gordel, waarin hij den dolk, die hem nacht noch dag verliet, be-
waarde; hij had nog dezelfde amulet op zijne borst, maar het riempje om zijn hals was, sedert Poppéa het toovertuig gekocht had, in omvang
bijna verdubbeld moeten worden; hij was blootshoofds en Poppéa merkte op, dat zijne oogen schitterden van een ongewonen gloed.
‘Wat verlangt gij, Varro?’ vroeg zij.
Hij trad ter zijde, zooveel de ruimte van het vertrek het toeliet.
‘Geef haar te eten en te drinken, moeder!’ zeide hij; ‘wij hebben samen gewandeld en wij willen straks weder verder gaan.’
Hij tilde lachend, alsof het een wettig huwelijk gold, een meisje over den drempel en zette haar, alsof hij haar ter keuring aanbood, voor zijne
moeder neer.
Poppéa rees haastig op; zij vroeg niets meer, zij begreep alles; zij legde haar spinrokken neer, zette voor de tafel op de beste plaats, welke zij
kon inruimen in haar nederig verblijf, een houten bankje, bracht spijs en drank en week, toen het meisje zich had nedergezet en toetastte,
onderdanig naar den drempel, van waar zij, tegen den deurpost leunende, de vreemde nauwkeurig opnam
Varro hurkte in een hoek van het vertrek neder en toen hij zag, dat zijne moeder bij de monstering van de fijne gestalte en het schoone gelaat
goedkeurend knikte, zeide hij: ‘Zij heet Julia, moeder!’
‘Onze Julia?’ vroeg Poppéa.
‘Zoo is het goed,’ antwoordde Varro vroolijk en het meisje glimlachte.
Toen zij verzadigd was, sprak zij vriendelijk haren dank uit; zij schikte haar bovenkleed, dat door een gesp op den rechterschouder werd
vastgehouden, maar dat een weinig verschoven was, weder in een bevalligen plooi, streek hare haren, die waren losgevallen, achterwaarts en
stak ze daar met een paar haarnaalden bijéén en toen, terwijl zij haar gelaat naar Varro keerde, uit wiens oogen bij de toenemende duisternis
een flikkerend licht door het vertrek heen scheen te spelen, begon zij zacht te zingen.
De melodie was aan Poppéa onbekend, maar zij verstond de woorden, en die deden haar denken aan haar eigen jeugd, toen zij, gelijk thans
Julia, nauwelijks veertien jaar oud was en zij zich overgaf, niet aan wien het meest betaalde, maar aan wien haar het best beviel. Kon het
anders of Julia moest aan Varro,
als hij haar slechts met een blik verwaardigd, als hij haar slechts een vinger toegestoken had, boven alle jonge mannen de voorkeur gegeven
hebben. Het was in haar te prijzen, als zij om dien blik, om die aanwijzing met zooveel middelen van vrouwelijke behaagzucht, als haar ten
dienste stonden, gebedeld had!
Op het eerste liedje volgde na eene korte tusschenpoos een tweede, op het tweede na een wat langer stilzwijgen een derde; maar daarbij
begon de stem der zangster te trillen en de zware ademhaling van Varro dreunde door het vertrekje; dat kamertje werd voor beider hartstocht
veel te eng.
‘Kom meê naar buiten!’ zeide Varro; ‘hier kunt gij niet meer zingen. Goeden avond, moeder!’
Julia volgde zijne uitnoodiging en groette Poppéa, die den uitgang vrij gaf, en zelfs ook mede naar buiten trad. Zij liet Varro en Julia echter
vooruit gaan en volgde hen slechts tot den hoek van een plein, dat aan de andere zijde door een boschje van olijfboomen en oleanders
begrensd werd. Daar bleef zij staan, terwijl Varro en Julia langzaam voortliepen.
Het was heldere maneschijn en op het plein, dat aan een uithoek der stad gelegen was, heerschte diepe stilte, maar al had er zich eene
woelende menigte bewogen, Poppéa zou dat paar niet uit het oog verloren hebben. Zij zag, dat Varro zijn rechterarm om Julia had
heengeslagen en hoorde haar nog neuriën; en vervolgens bleven die twee stilstaan, en Varro greep met zijne sterke handen het meisje om haar
middel en tilde haar in de hoogte; hij hield haar boven zijn hoofd en wierp haar op in de lucht en ving haar in zijne armen. Zij gilde van angst,
terwijl zijn schaterend gelach over het plein weerklonk, maar geen kreet, geen klank werd gehoord, terwijl hij haar aan zijn hart drukte.
Daarna liet hij haar op zijne vooruitgestoken, dikke armen liggen en wiegde haar heen en weder als een klein kind; haar bovenkleed was
opgeschort en golfde in breede plooien nederwaarts en hij werd niet moede haar te kussen, totdat zij eindelijk de armen om zijn hals wist te
slaan en haar hoofd op het zijne liet rusten, zoodat hare lange lokken, die weder waren losgesprongen, over zijn kort afgesneden haar hingen.
Poppéa glimlachte vergenoegd, ook toen zij Varro en Julia het boschje zag binnentreden, ook toen zij meende, dat haar van daar nog eens een
flauwe gil tegenklonk. Zoo had zij zelf ook eens gedarteld, met Varro's vader, en de centurio had haar
verlaten en misschien vergeten, maar Groote Goden! welk een zoon had zij aan zijne omhelzing te danken!
Na die eerste gelukkige kennismaking duurde de goede verstandhouding tusschen Poppéa en Julia maanden lang ongeschokt voort; eigenlijk
werd zij nooit verbroken, hoewel Poppéa zich toch eens gedrongen gevoelde om met waarschuwenden ernst Varro over Julia aan te spreken.
Wel bleef zij in dat gedeelte der stad, waar zij was geboren en opgegroeid, wonen, maar Varro haalde haar telkens af en geleidde haar naar
zijne moeder. Daar Poppéa zelf ook op haar eigen vrijheid gesteld was, had zij zich met die schikking, welke door Julia bescheiden, als iets
van weinig beteekenis was voorgeslagen, uitmuntend kunnen vereenigen. Evenwel, zij zag de jonge lieden gaarne aankomen en als zij met hen
den rivierkant mocht langs drentelen of zich ergens met hen mocht nederzetten, dan was zij volkomen tevreden en kende geene zorgen. Voor
de toekomst droomde zij slechts van den roem, welken Varro bij elke voorkomende gelegenheid, zoo dikwijls hij in het strijdperk trad,
behalen zou.
Zoo zaten zij ook eens in droomerig gepeins, door de warme stralen der middagzon beschenen, toen Julia haar plotseling deed opschrikken
door te vragen: ‘Zou het een vreeselijke, een pijnlijke dood zijn, gekruisigd te worden?’
Poppéa kon niet bespeuren, of die vraag rechtstreeks tot haar gericht was, want Julia staarde, alsof zij in gedachten verzonken, onopzettelijk
eene twijfeling had uitgesproken, recht voor zich uit, maar Varro was, achterover tegen een muur leunende, bijna ingedommeld en lette er niet
op.
Zij antwoordde dus: ‘Dat weet ik niet! maar waarom vraagt gij dat?’
‘Ik heb hooren zeggen, dat het kruis eene straf is, zoo verschrikkelijk wreed, dat een God er aan sterven kan,’ vertelde Julia.
‘Een God sterft niet,’ merkte Poppéa aan.
‘Dat kan natuurlijk alleen gebeuren,’ hernam Julia, ‘wanneer hij in menschelijke gedaante op aarde vertoeft en hij staat ook terstond uit den
dood weer op, maar het moet gebeurd zijn.’
‘Ik heb er ook van hooren spreken,’ bekende Poppéa; ‘'t is een wonderlijk verhaal.’
‘Ja!’ Julia liet het daarbij en het gesprek zou waarschijnlijk daarmede ook zijn geëindigd, als Varro niet wakker geworden was.
‘Waar hebt gij 't over?’ vroeg hij.
‘Julia vraagt of de kruisdood eene vreeselijke straf is?’ zeide Poppéa.
‘Prettig is het zeker niet,’ verklaarde Varro, ‘maar het zal wel stilzwijgend te verdragen zijn.’ Lachend strekte hij de armen uit. ‘Het zou, denk
ik, nog al moeite kosten om mij aan zoo'n paar dwars verbonden balken te slaan.’ Hij toonde zijne breede polsen. ‘Ik zou mij weren, daar
kunt ge op rekenen, en de spijkers, die door mijne handen moesten heengaan, mochten wel goed scherp van punten zijn, of zij werden eer
krom geslagen!’
Poppéa glimlachte, maar Julia bleef ernstig voor zich zien.
‘Waar denkt gij aan, Julia?’ Hij lachte nog luider. ‘Gij zoudt den hamer nauwelijks kunnen hanteeren, die noodig zou zijn om eene pen door
zoo'n voet heen te drijven.’
Julia zat een weinig lager dan hij, en hij legde eerst zijn blooten rechtervoet op hare knieën; vervolgens trok hij ook den linkervoet op en zette
ze beiden op haar schoot.
‘Zal ik u eens onder mijne voeten begraven?’ vroeg hij schertsend, want de schoot van het meisje was inderdaad geheel bedekt.
Hij trok zijne voeten echter terug en sprong vroolijk op, maar van Julia's gelaat weken de zwaarmoedige trekken niet, ook niet terwijl zij hare
armen sloeg om de sterke beenen, welke haar konden verpletteren, en zijne knieën kuste.
Varro en zijne moeder hadden echter geen vermoeden van de gedachten, die Julia door het hoofd spookten en haar van tijd tot tijd in
zwaarmoedig stilzwijgen deden nederzitten, zelfs in tranen uitbarsten. Dan verwijderde Varro zich gewoonlijk pruttelend, soms ook ernstig
boos over hetgeen hij vrouwenkuren, onverdragelijke zwakheid schold, maar hij werd dan door Poppéa terecht gewezen. Zij zeide, dat zij
Julia zeer goed begreep; zij schertste met Varro over den zoon, die hem zou geboren worden, want het zou een zoon zijn, en vroolijkte hem
op door het vooruitzicht op zijn vaderschap en troostte hem aldus over Julia's droefgeestigheid, die zich noch door zijne geschenken, noch
door zijne liefkozingen verdrijven liet. Poppéa maakte zich zelf ook wijs, dat zij spoedig grootmoeder zou zijn en hield Varro en zich zelf
voor, dat zij zich voorts in geen enkel opzicht over Julia te beklagen hadden; inderdaad aan hare liefde voor Varro, aan de afgodische
vereering van de teedere en zwakke vrouw voor den reusachtig sterken man viel niet te twijfelen,
Evenwel Varro liet zich door al die redeneeringen van zijne moeder maar half tevreden stellen en Poppéa verontrustte zich ook soms heimelijk
met de vraag, of zij de waarheid wel raadde? want, hoewel Julia dikwijls droevig gestemd en loom in hare bewegingen was, zij sprak van de
moedervreugde, die zij zou verwachten, geen woord, en aan hare houding was ook niets, dat daarop wees, te bespeuren; zij werd slechts
tengerder van gestalte, fijner van gelaatstrekken en haar hartstocht voor Varro scheen zich vooral in onverstoorbare zachtmoedigheid te
moeten openbaren.
Het raadsel werd, gedeeltelijk althans, voor Poppéa opgelost, toen zij op een avond, wat later dan gewoonlijk langs de brug over de Adige
huiswaarts ging. Het was reeds geheel donker geworden; langs de rivier evenwel was de nachtelijke duisternis niet zoo ondoordringbaar als in
de straten tusschen de hooge huizen en terwijl Poppéa de brug voorbij liep, meende zij in eene slanke, vrouwelijke gedaante, die haar
voorbijsloop, en vlug de brug opstapte, Julia te herkennen. Varro had de beide vrouwen gewaarschuwd, dat hij dien avond, gelijk meermalen
gebeurde, de gladiatorenkazerne niet verlaten kon en Poppéa werd nieuwsgierig voor welken tocht Julia van zijne afwezigheid gebruik maakte
en dan wel naar de overzijde der rivier, waar, ofschoon binnen de vestingwerken ingesloten, slechts weinig huizen, meest niet anders dan
tuinen en akkervelden te vinden waren. Of zou zij zich vergissen en was die vrouw, die snel maar behoedzaam, dicht langs de hooge steenen
leuning voortgleed, Julia niet? Poppéa ging haar na, kwam haar meer en meer nabij en haalde haar met eenige schreden aan de overzijde der
brug in. Zij had goed gezien; die vrouw, welke zij in den weg trad en daardoor verhinderde een zijpad, onder struikgewas verscholen, in te
slaan, was Julia.
‘Wat doet gij hier?’ vroeg Poppéa; ‘waar gaat gij heen?’
Op hetzelfde oogenblik rezen uit de struiken twee mannen op en traden in ernstige houding, tot verdediging gereed, Julia ter zijde; zij hielden
hunne gelaatstrekken onder de slippen van hunne bovenkleederen verborgen, maar Poppéa kon zien, dat zij houten kruisen in de handen
hielden en de toedracht begon haar duidelijk te worden.
‘Wat doet gij hier?’ vroeg zij nog eens aan Julia, die van schrik over de ontmoeting verstomd scheen. Poppéa zelf was ook nog meer
verschrikt dan verontwaardigd en angstig; be-
vreesd voor de tooverkrachten, die wellicht tegen haar van die kruishouten konden uitgaan, zeide zij: ‘Zat gij daarom onlangs over de
kruisstraf na te denken? O Julia! wees voorzichtig! Als de dienaren van de duumviri straks komen en u met al die anderen ginds overvallen,
dan ziet gij Varro nooit weer!’
Maar Julia was reeds een paar stappen achteruit geweken en de twee mannen hadden zich ook reeds tusschen haar en Poppéa kunnen
plaatsen. ‘Ik zal ook voor Varro bidden,’ hoorde Poppéa haar beloven, en zag haar naar het in de duisternis van den nacht nauwelijks
zichtbare pad afdalen.
Zij waagde het niet haar te volgen, maar keerde langzaam terug, de brug weer over; nog enkele vrouwen, ook mannen kwam zij tegen, en hun
vreesachtig voortsluipen deed haar begrijpen, dat door hen hetzelfde pad zou ingeslagen worden, waarlangs Julia verdwenen was.
In den daarop volgenden nacht sliep Poppéa slechts bij tusschenpoozen; telkens hield haar de vraag wakker, of zij de ontdekking van Julia's
gedrag aan Varro zou mededeelen? Zij gevoelde zich eigenlijk niet in staat om er geheel over te zwijgen, maar zij begreep, dat zij met groote
voorzichtigheid zou moeten spreken; zij vreesde Varro's toorn en voor zichzelf en voor Julia. Zij had echter nog nauwelijks eenigszins kunnen
overwegen, hoe zij het zou aanleggen, toen hij den volgenden dag op het middaguur ongeveer onverwacht bij haar binnentrad. Zij bemerkte
aan de drift, waarmede hij binnenkwam en aan de bijzondere uitdrukking van zijn gelaat, dat er iets buitengewoons aan de hand was. De
beangstigende gedachte kwam plotseling bij haar op, of hij reeds iets van Julia's nachtelijken tocht kon vernomen hebben en daardoor tot eene
zorgvuldige keuze van de bewoordingen, welke zij gebruiken wilde, niet in staat, stamelde zij: ‘Julia....’
‘Julia?’ antwoordde hij in overijling, meenende dat zijne moeder naar haar vroeg; ‘Julia? Ik heb haar nog niet gesproken. Ik heb thans geen
tijd om haar op te zoeken!’
‘Ik wou zeggen,’ hernam Poppéa aarzelend, ‘dat ik haar gisteren avond nog ontmoet heb.’
‘Zoo! Waar?’
‘Zij ging naar de overzijde der rivier.’
‘Wat ging zij daar doen?’
‘Ik geloof, Varro, dat zij tot de nieuwe Jodensecte behoort.’
Varro begon luidkeels te lachen. ‘Hoe komt het u in het
hoofd, moeder? Onze Julia bij die menschen! En ik heb nog al gehoord, dat zij het zwaard minachten, de zwakke lafaards! Zij zijn er bang
voor, ja!’
‘Waarlijk,’ zeide zij, ‘Julia gaat naar hunne bijeenkomsten!’
Maar Varro sloeg met de vuisten op de tafel, zoodat het meubel kraakte, en donderde haar toe: ‘Het is niet waar, het mag, het kan niet waar
zijn! Ik wil het niet eens onderzoeken, haar niet vragen. Een demon heeft u in den slaap bezocht, moeder, of is u krankzinnig geworden?’
‘Ik heb hooren zeggen,’ antwoordde Poppéa bits, ‘dat de praefectus hen vervolgt, want dat Cesar hen haat.’
‘Natuurlijk haat hij hen; ik haat ze ook. En gij hebt dat gehoord, en allerlei schrikbeelden zijn bij u opgekomen? U wordt oud, moeder! maar
leef ten minste nog tien dagen; dan kunt gij mij nog eens in de arena zien. Cesar komt morgen in Verona!’
‘Komt Cesar hier?’ vroeg zij verrast, ‘en....?’
Varro knikte goedkeurend bij den blik van verlangen, welken hij van haar opving. ‘Zeker! Nu is u weer de oude, moeder! Lartius zal een
groot feest in het Amphitheater geven en gij zult mij zien vechten, moeder! onder de nettendragers en tegen de wilde dieren, gij en Julia!’
Bij dat vooruitzicht vergat Poppéa al de bezwaren, welke zij zich verbeeld had dat uit Julia's gedrag konden voortvloeien. Varro had zelfs
geen tijd om hare belangstellende vragen nauwkeurig te beantwoorden en zij zou zich zeker met zijne onvolledige inlichtingen niet hebben
tevreden gesteld, indien hij niet had beloofd den laatsten avond, op welken het hem voor het groote feest zou vergund zijn de
gladiatorenkazerne te verlaten, met haar en Julia door te brengen.
Inderdaad, Domitianus Cesar kwam voor eenige dagen naar Verona. Het heette dat de oorlog met de Daciers gelukkig was ten einde gebracht,
hoewel de vrede op eene schandelijke wijze van hun koning Decebalus voor eene aanzienlijke geldsom was afgekocht. De zoon van den
dapperen Vespasianus, de broeder en opvolger van den edelen Titus, gaf er echter den schijn aan van een roemrijken veldtocht, die door een
schitterenden triumf mocht bekroond worden, maar voor zich zelf was hij geenszins voldaan, hoewel hij, luimiger, nijdiger, wreeder nog dan
gewoonlijk, elke aanmerking, welke tot hem kon zijn doorge-
drongen, deed verstommen. De hooge staatsdienaren, die hem omringden, sidderden; gretig zagen zij uit naar elk middel, dat zijn ontstemd
humeur zou kunnen verzachten, naar elk vermaak, dat hem zou kunnen streelen, en afleiding geven ook aan dien bloeddorst, door welken zij
hun eigen leven bedreigd wisten. Wat kon in dit geval beter bedacht worden dan eene voorstelling in het voor weinig jaren pas voltooide
Amphitheater, het schouwspel van een strijd van gladiatoren onder elkander, gevolgd door een gevecht van zwaardvechters met wilde dieren?
Lartius had zich ook terstond bij de aankomst van Cesar aangemeld. De dag werd door Domitianus zelf bepaald; het getal der strijders en de
soorten der gevechten, welke zouden geleverd worden, door hem vastgesteld; het was bekend, dat hij zulke spelen begunstigde; het zou
althans voor Verona een schitterend feest zijn.
In de stad zelf en in de omstreken werden libelli, strooibilletten verspreid en aan de openbare gebouwen, aan de poorten, aan de blinde muren
op de hoeken der straten, hier en daar aan eene zuil werden programmata aangeplakt. Het geheele beloop der voorstelling werd er in
beschreven; de namen der vermaardste gladiatoren, die zouden optreden, werden vermeld, en bij hen, order de eersten was ook Varro
genoemd. Poppéa kon niet lezen, maar Julia, die als kind er een weinig van geleerd had, wees haar den naam aan. Beide vrouwen waren
trotsch op die eervolle vermelding. In dien kring der maatschappij, waartoe zij behoorden, bij die menschen, die wel geene slaven of slavinnen
waren, maar toch dikwijls het lot van hen. die in slavernij leefden, moesten benijden, werd meestal weinig, dikwerf niets gevoeld van de
schande, die op het gladiatorenbedrijf rustte. Als zij de toejuiching der menigte, de goedkeuring van de aanzienlijken of van Cesar verwerven
mochten, als hun geschenken, vooral in geld, werden toegeworpen, vroegen zij veelal naar niets meer. Poppéa dacht dan ook slechts aan de
bewondering, welke aan Varro voor zijne reusachtige gestalte, voor de verpletterende kracht zijner spieren, voor de ongeëvenaarde vlugheid
zijner lichaamsbeweging zou ten deel vallen, maar dat Julia, hoewel zij met Varro's moeder in dat blijde vooruitzicht deelde, tevens nog door
andere gedachten soms werd bezig gehouden, bewees het zwaarmoedig stilzwijgen, waaraan zij zich nu en dan eenige oogenblikken overgaf.
Over die ontmoeting aan de overzijde der rivier sprak Poppéa
geen woord meer en daar Varro haar er ook niet naar vroeg, er zelfs niet op zinspeelde, meende Julia, dat zijne moeder hem er onkundig van
had gelaten; misschien achtte zij het niet der moeite waardig; misschien vreesde zij van zulk een gesprek onaangename gevolgen; het kon ook
zijn, dat zij eerst later, na den afloop van het gladiatorenfeest, er op wilde terugkomen. Het was Julia in allen gevalle hoogst aangenaam; zij
zelf verkeerde nog in tweestrijd; er was geen vergelijk te treffen tusschen dat nieuwe geloof, welks liefelijkheid haar krachtig aantrok, maar
dat allereerst zelfverloochening eischte, en die zinnelijke bekoring, met welke zij zich aan den gladiator overgaf. Zij leed naar ziel en lichaam
onder die slingering van gevoelens en begeerten; soms ontsnapten haar onwillekeurig woorden, die, zoodra zij waren uitgesproken, haar voor
haar zelf nu eens met vrees, dan weder met berouw vervulden.
Toch scheen het, dat zij slechts lachen en dartelen kon, toen drie dagen, voordat het feest in het Amphitheater zou gegeven worden, Poppéa
in de schemering hare woning binnentrad. Het was de laatste avond, welken Varro buiten de gladiatorenkazerne mocht doorbrengen en hij
had, toen zijne moeder hare bekrompen woning binnenkwam, daar reeds een paar uren met Julia doorgebracht. Ook thans had hij over haar
nachtelijken tocht niet gesproken, haar niet gevraagd of zij wel eens eene bijeenkomst der nieuwe Jodensecte ging bijwonen. Hij had de
gedachte er aan, terstond nadat zijne moeder hem er over gesproken had, geheel willen verbannen, maar het was hem niet gelukt; vooral in de
laatste dagen had zij hem telkens weer bijgeloovige vrees ingeboezemd. O, indien Julia behoorde tot dat volk, dat lichaamskracht minachtte en
van het zwaard een afschuw had, dan kon zij wel een demon zijn, door den een of anderen vijand op hem afgezonden, eene toovenaarster,
die hem op het beslissende oogenblik de wapenen zou doen wegwerpen en als een lafaard om genade smeeken! Nam zij misschien met elken
kus, welken hij haar gaf, een deel van zijne kracht mede en zou zij hem misschien na eene laatste omhelzing met slappe spieren, met
waggelende schreden, met gebogen hoofd naar Lartius laten terugkeeren!
Hij had zich echter dien middag aan al die schrikbeelden weten te ontworstelen; Lartius had hem dien morgen in de oefenschool nog
goedkeurend op den schouder geklopt en geen woord, geen blik van Julia had zijne achterdocht opgewekt; van beide
zijden had slechts zinnelijke teederheid, gloeiende hartstocht hun samenzijn gekenmerkt. En toen ook Poppéa te huis was gekomen, zaten zij
eerst vroolijk bijéén.
Zij spraken over het aanstaande feest; zij herinnerden elkaar, hoe Varro's naam in al de wijken der stad en in de omliggende vlekken en
dorpen werd genoemd, hoe zijne bekwaamheid en zijne dapperheid geprezen werden; zij verhoovaardigden er zich te zamen op, dat zelfs
Cesar reeds dien naam gehoord had en zij vuurden elkanders verbeelding aan in de voorstelling van de heldendaden, welke hij zou verrichten!
Zij gaven er geen acht op, dat de duisternis inviel, en toch oefende die duisternis haren invloed uit. Poppéa zat in een hoek van het vertrekje
bij het raam en ongeveer recht tegenover haar had Varro zich met den rug tegen den muur op een houten bankje nedergezet; Julia lag op zijne
rechterknie als op een breed rustbed en als eene sterke leuning steunde zijn arm haar. Onwillekeurig was het gesprek een oogenblik gestaakt
en ieder had aan zijne gedachten den vrijen loop gelaten.
‘En als gij valt, Varro?’ vroeg Julia, met eene gedempte stem, de stilte afbrekende.
‘Gij zult niet vallen, Varro!’ zeide zijne moeder, ‘maar mocht het gebeuren, dan weet ik, dat ik u en mij zelf nog gelukkig zal prijzen, want als
een held zult gij u gedragen hebben en Cesar zal den lauriertak voor u hebben opgeheven.’
Varro stak zijn zwaren linkerarm in de hoogte, strekte zijn forsch linkerbeen uit en glimlachte in het volle gevoel zijner reuzenkracht. ‘Vallen?’
schertste hij; ‘Ik vallen? Het is mogelijk, maar het zal niet licht gebeuren! En gij, Julia! wat zoudt gij doen, als ik viel?’
Zij sloeg hare armen, zoover zij reiken konden, om zijn groot lichaam en liet haar hoofd op zijne ruige borst nederzinken. ‘Ik zou diep
medelijden met u hebben en over mij zelf weenen.’
Nauwelijks had zij stamelend dit gezegd, of zij werd met geweld naar de andere zijde van het vertrek geworpen, zoodat zij voorover tegen
den achterwand op hare knieën neerzonk. Van schrik verstomd kromp Poppéa in haar hoekje inéén, want zoo had zij Varro nog nooit gezien,
nog nooit zulk een akeligen klank zijner stem gehoord. Bij het flauw opkomende maanlicht, dat door het venster viel, zag zij zijne glad over
het voorhoofd gestreken haarlokken oprijzen, zijn gelaat doods-
bleek worden en uit zijn mond het bloedroode schuim spatten, terwijl hij met eene zwoegende borst dof brulde: ‘Medelijden? Tranen?
Weenen? Eene weeklacht over mij? Wacht!’
Hij stond op en greep Julia, die daar nog half bewusteloos op de knieën lag, aan. Met de eene hand vatte hij haar bij de haarvlechten, met de
andere in den gordel om haar middel. Zij poogde nog het hoofd om te wenden, en het schoone gelaat, ontferming biddend, tot hem op te
heffen, maar het gelukte haar niet en al ware het haar mogelijk geweest, het zou haar niet gebaat hebben. Hare woorden hadden den
bijgeloovigen angst, welke hem de laatste dagen meermalen had gefolterd, maar waaraan hij meende zich dien middag geheel ontrukt te
hebben, in verhoogde mate teruggeroepen en zijne wreede woestheid, waarvoor zijne geweldige lichaamskracht ten dienste stond, was er
geheel door ontketend.
Hij had haar eens met liefderijke voorzichtigheid over den drempel naar binnen getild; thans tilde hij, onmenschelijk ruw, met hare
haarvlechten in de vuist en haar lijfgordel toeknijpende, haar weder over dien drempel naar buiten. Daar stond hij een oogenblik stil en
verzamelde al zijne kracht. Julia gilde in doodsangst, maar hij werd er niet door bewogen; hij glimlachte, terwijl hij haar van zich afwierp,
dwars de straat over, zoo woest, met zooveel geweld, dat zij den grond eerst raakte, toen zij tegen de trappen van eene zuilengang opvloog.
Zij viel en bleef roerloos liggen op de harde, lichtkleurige steenen, waarover terstond het roode bloed stroomde, dat haar uit mond en neus en
uit eene diepe hoofdwonde sprong.
Varro lette daar niet op; hij keerde reeds naar zijne moeder terug en nog met een zwaren zucht, maar toch met een vervroolijkt gelaat, want
hij gevoelde zich door zijne wreede handelwijze van allen angst ontheven, zeide hij: ‘Het was toch waar! U hadt gelijk, moeder! Die slang met
haar medelijden en hare tranen! Zij zou mij met hare tooverkunsten vernietigd hebben!’
Poppéa kon noch wilde hem tegenspreken. ‘Ik vreesde het ook,’ antwoordde zij.
Nog eenigen tijd bleven zij samen; over Julia wisselden zij echter geen woord meer; zij spraken weder over het gladiatorenfeest en overlegden
waar in het Amphitheater Poppéa, om haar zoon best te kunnen gadeslaan, eene plaats zou zoeken.
Eindelijk vertrok Varro, maar buiten gekomen zag hij niet
om naar de plek, waar Julia was neergevallen. Met vaste schreden liep de gladiator voort; hij hield zich overtuigd, hij gevoelde met blijdschap,
dat geene tooverkunst nog zijne lichaamskracht gekrenkt had.
Deel 2 en slot

Het amphitheater van Verona
Onderzoek, tekst en webdesign Sione van Walderveen