De gladiator van Verona. Deel 2 en slot (Terug naar deel 1)

Poppéa waagde het niet noch dien avond, noch den daaropvolgenden nacht buiten hare woning te komen. Hoewel zij Varro's gedrag volkomen goedkeurde, toch deed elk gerucht, dat zij op straat hoorde, haar opschrikken. Eerst toen de morgenzon boven den horizont gekomen was, trad zij, toch nog met eenigen angst, op straat. Enkele voorbijgangers, die onverschillig voortliepen, zag zij wel, maar waarheen zij ook rondkeek, zij ontdekte Julia niet; alleen de donkere bloedvlek aan de overzijde der straat, bij den voet eener zuil, was nog duidelijk zichtbaar.

De zon scheen helder op den morgen, toen het gladiatorenfeest een aanvang zou nemen, evenals in den avond de maan ongehinderd haar zilverlicht over de stad en de rivier zou uitgieten. In het Amphitheater waren alle plaatsen bij tijds bezet, niet alleen de hoogste, waartoe de mindere man vrijen toegang had en waar men zat of stond, naar dat in het gedrang der opééngehoopte menigte uitviel; ook de lagere, waar de deftige burgers en aanzienlijken en, afgescheiden van hen, hunne vrouwen en dochters zich hadden nedergezet; waar stand en rijkdom, jeugd en schoonheid zich verzamelden.

Het gebouw. niet zoo groot als het Colosseum te Rome, maar wat bouworde en nauwkeurigheid van bewerking aangaat, van dezelfde gehalte, bood aldus Domitianus, toen hij met zijne vertrouwdste hovelingen de voor hen bijzonder ingerichte ruimte had ingenomen, een schouwspel aan, den machtigen Cesar van het Romeinsche rijk waardig. Hij zat vooraan op het breede balkon, boven de eene poort, die tot de arena toegang geeft; door de andere konden de zwaardvechters daar binnen treden. Geheel het gebouw heeft een ovalen vorm, ook de arena, die toen diep genoeg lag om de toeschouwers voor een wegvliegend zwaard, en voor den sprong van een wild dier te beveiligen en de beide poorten liggen in de verst van elkaar verwijderde punten van dit ovaal. Over een groot gedeelte van het Amphitheater waren voorts zeilen gespannen, door welke de toeschouwers zoowel als de zwaardvechters tegen den verblindenden gloed der zonnestralen beschermd werden, maar toch drongen er hier en daar door kleine openingen, door kieren en reten, en speelden over de veelkleurige menigte, over de bonte rij der fraai uitgedoste aanzienlijken en fonkelden op het purper en het goud en vooral op al die edele steenen, die glad geslepen of kunstig besneden, de haarbanden, de schoudergespen, de armbanden, de vingerringen, de hals- en borstkettingen versierden.

Niet eer maar wel zoodra Domitianus zich op zijn uit ivoor en goud vervaardigden en met zijden kussens opgevulden zetel had nedergezet en het verwachte teeken gegeven, begon het spel. Door de poort tegenover hem traden honderd zwaardvechters onder luid trompetgeschal de arena binnen. Zij waren allen nog blootshoofds; zij droegen geene schilden en alleen stompe wapenen; groetende liepen zij de arena door, voor Cesar hieven zij de wapens op, het spiegelgevecht begon.

Reeds hierbij waren de proeven van kracht en behendigheid, welke zij gaven, de aandacht der toeschouwers dubbel waardig; toch werden de gesprekken nog ongestoord voortgezet en op de hoogst gelegen staanplaatsen hield het gewoel en gedrang nog niet op. Hoewel men de mannen, die in het strijdperk getreden waren, nauwkeurig monsterde, en van dezen en genen onder hen, vooral van Varro, voor het volgende bedrijf de beste verwachting opvatte, de belangstelling werd nog niet krachtig gewekt. Domitianus gaf ook spoedig te kennen, dat hij naar een bloediger schouwspel verlangde. Weder liet zich trompetgeschal hooren; Lartius, die als drilmeester het oppertoezicht hield, beval, dat de speelsche wapenen afgelegd en de scherpe ter hand moesten genomen worden.

De schildknapen traden de arena binnen en brachten aan de gladiatoren, aan vijftig hunne helmen, schilden, lansen en dolken, aan de vijftig anderen hunne netten en drietanden. Onder de laatstgenoemden trok Varro door zijne reusachtige grootte en door de vlugheid, waarmede hij, nog éér de strijd begon, het net zwaaide, bijzonder de algemeene aandacht. Al de nettendragers hadden het hoofd onbedekt en geen wapen tot bescherming en aanval dan den vork met drie punten in de linkerhand.

Weder trokken de honderd mannen, nadat de schildknapen hun werk hadden afgedaan, de arena door en toen zij, voor Domitianus gekomen, hunne wapenen en schilden en netten omhoog hieven, konden Varro en Poppéa een blik van vriendelijke verstandhouding wisselen; de moeder wist, dat zij door haar zoon werd gegroet, de zoon, dat zijne moeder hem gadesloeg, want zij had zijne aanwijzing trouw opgevolgd en had zij onder het spiegelgevecht min of meer in de algemeene onverschilligheid gedeeld, thans op de hoogste plaats bij de zuilenrij, achter Cesar staande, ging zij met ingespannen aandacht den loop van het gevecht na.

De nettendragers begonnen hun aanval tegen de zwaar gewapenden en wisten door tallooze bochten en wendingen hen naar de eene zijde van de arena te dringen en met zeldzaam geluk hun allen een net, eene bijna onoverwinlijke belemmering in den strijd, over het hoofd te werpen, maar daarmede scheen ook hunne kracht uitgeput. De toeschouwers begrepen eerst niet wat er voorviel; de krijgslist, door Varro uitgedacht, en met de andere retiarii heimelijk besproken, misleidde hen even als de zwaargewapenden. Poppéa zag het staroogend aan, stom en onbewegelijk, dat haar zoon met zijne makkers terugweek, verder en verder naar de andere zijde der arena, en zij trilde van verontwaardiging en woede, toen Domitianus de gebalde vuist uitstrekte en daarmede het bevel gaf om hen, die hij voor lafaards hield, neer te sabelen. Toen was echter ook het keerpunt van dien strijd bereikt, want plotseling hief Varro, die zich bijna tot den grond nedergebogen had, den drietand in de hoogte en de aanval, welken de zwaargewapenden thans van hem en zijne makkers te verduren hadden, was zoo geweldig, zij vlogen zoo snel, met zulke doodelijke slagen en stooten rondom en langs hen, dat de een na den ander, doorstoken, doorsneden, zieltogend en stuiptrekkend nederviel en de verraste menigte, die doodstil dien afloop gadesloeg, zag hen allen eindelijk liggen, in de netten verward en badende in hun bloed, terwijl de anderen, de retiarii, van welke slechts een paar noodlottig waren gevallen, hunne vuile maar zegevierend behouden wapens tot teeken hunner overwinning in de hoogte staken.

Een glimlach van goedkeuring rees op het sombere gelaat van Domitianus en terwijl hij met de neusgaten snoof, alsof de reuk van het bloed, die uit de arena opsteeg, hem verkwikte, wuifde hij den overwinnaars toe met een lauriertak. De toejuiching der menigte barstte, als door dat eerbetoon gewekt, donderend los en Poppéa klapte mede blijde in de handen. Zij vertelde aan de mannen en vrouwen, die bij haar stonden en het nog niet wisten of toejuichend het verhaal nog eens van haar aanhoorden, dat hij, de grootste en vlugste der overwinnaars, dat Varro haar zoon was, en wie haar gelukkig prees, werd door haar bij de hand gevat en omhelsd, zelfs gekust. Niet om zijn leven had zij zich bekommerd, terwijl zijne krijgslist haar misleidde; maar de vrees, dat hij zich als een lafaard zou gedragen, en dat de goedkeuring van Cesar hem ontgaan zou, had haar bloed bijna verstijfd en haar hart bijna doen stilstaan.

Er moest eenige tijd verloopen, éér het spel kon worden voortgezet; de verloren en gebroken wapenen moesten bijeengebracht en weggeruimd worden; de gekwetsten en dooden moesten uit de arena gesleept en de vloer van de kampplaats weder gelijk gemaakt en met versch zand bestrooid worden, want niet minder vast dan in den reeds afgeloopen strijd moesten de voeten der kampvechters, thans die der venatores, tegenover de wilde dieren kunnen staan. Intusschen gingen door de rijen der aanzienlijken slaven en slavinnen rond, die allerlei lekkernijen aanboden en ook op de hoogere zitplaatsen en onder hen, die op den bovensten omgang stonden, ontbrak het evenmin aan een verfrisschenden dronk of aan eene verkwikkende bete. Er werd gepraat en gelachen; er werden afspraken gemaakt en beloften vervuld; eenige aanzienlijken brachten Cesar hunne hulde, maar geene onderwerpen werden meer besproken dan het gevecht, waarvan men reeds getuige was geweest en het gevecht, dat men nog hoopte te aanschouwen. Poppéa kon er zich van overtuigen, dat Varro's roem reeds op aller lippen was, de naam van hem, die na de retiarii ter overwinning te hebben geleid, ook onder de venatores tegen de wilde dieren als eerste kampvechter zou optreden.

Hoog was dus de verwachting gespannen, toen de arena weder in orde was gebracht en Domitianus zijne toestemming gaf, dat de venatores mochten optreden. Onder trompetgeschal rukten zij voorwaarts, in eene rechte linie, één en twintig man, tot zij ook weder voor Cesar ter begroeting geschaard stonden. Zij droegen open helmen zonder vizier, ronde of vierkante schilden naar verkiezing en korte, breede zwaarden. Toen zij die zwaarden naar Cesar ophieven, knikte hij den boven allen uitstekenden Varro, van wien hij op nieuw het genot van een bloedbad verwachtte, gunstig toe. Poppéa raadde het uit de beweging van zijn hoofd en Varro zag hoe zijne moeder, in verrukking reeds, de beide handen naar hem uitstrekte.

Daarna trokken de venatores naar de andere zijde der arena terug, waar zij zich schaarden in den vorm van eene wig, een hoek. Varro was de voorman en stond dus ongeveer in het
midden der arena, terwijl zijne makkers, aan weerszijden tien, zich achterwaarts, in schuinsche richting van hem af plaatsten. Zoo werd de vijand afgewacht.

Een paar dierenhokken, die met ijzeren traliedeuren in de arena uitkwamen, werden geopend en kleine beren, wolven en wilde zwijnen stormden de kampplaats binnen. De strijd met hen was voor de venatores blijkbaar slechts een spel: zij werden niet terstond nedergesabeld; er werd met hen gespeeld; zij werden gemarteld; de laatste stoot, die hun het leven benam, was voor de meesten letterlijk een genadestoot.

Ernstiger werd de strijd, toen daarna uit een paar hokken aan wilde dieren uit Azië en Africa de toegang tot de arena geopend werd en drie leeuwen, brullende en met oprijzende manen zich vertoonden. Zwijgend thans, met ingehouden adem bijna, wachtte de menigte de uitkomst van het onvermijdelijk noodlottig gevecht, dat volgen moest, af. Twee van die leeuwen gaven aan Varro's makkers handen vol werk, maar de derde bleef op eenigen afstand van de venatores stilstaan. Terwijl hij een dof gebrom liet hooren en zijn staart onophoudelijk heen en weder bewoog, hield hij de vuurschietende oogen op Varro gevestigd, die hem even onbevreesd bleef aanzien. Eindelijk liet het woedende dier zich een weinig met de achterpooten naar den grond zakken; het maakte zich tot een sprong gereed, maar éér het dien sprong kon doen, plotseling, bliksemsnel was Varro het genaderd. Hij sloeg met zijn schild tegen den muil van den leeuw en greep hem, toen hij zich brullend ophief, in den baard onder de benedenkaak. Zoo hield hij hem recht opstaande een oogenblik met de linkerhand vast en stiet hem in datzelfde oogenblik met de rechterhand zijn zwaard door het hart. Toen de leeuw op zijde viel, week Varro snel achteruit; hij had overwonnen en hij lachte om de lange bloedstreep, toch nog door den leeuwenklauw op zijn arm getrokken.

Domitianus buigt goedkeurend het hoofd; de toeschouwers juichen Varro toe; Poppéa roept mede zijn lof uit; zij kent niets dan vreugde; zij weent van blijdschap en trots en daar staat haar zoon weer tegenover een anderen vijand, een tijger. Loerend, op den buik voortkruipend nadert het vreeselijke dier hem; hij gaat het niet tegemoet, maar hij verliest het geen oogenblik uit het gezicht; geene enkele beweging ontgaat hem. Eindelijk neemt de tijger zijn sprong, maar vergeefs. Snel als het licht is Varro ter zijde geweken en éér de tijger zich
kan omwenden, daalt het scherpe zwaard van den venator met reuzenkracht neer en klieft hem den kop. Stervend strekt het dier weldra de pooten uit en Varro, terwijl rondom in de arena wordt gehakt en gehouwen, gegild en gebruld, zet den rechtervoet op het doode lichaam.

De toeschouwers kunnen nauwelijks afwachten, dat Cesar hun met zijne goedkeuring zal voorgaan, maar Domitianus glimlacht reeds vergenoegd en zwaait bovendien met een lauriertak. Zelfs door de aanzienlijken wordt daarop de naam van den geduchten venator uitgeroepen, uitgegild; de mannen steken de armen in de hoogte; de vrouwen zwaaien hare sluiers. Op de bovenste rijen klopt men jubelend elkander op de schouders en wijst elkander de moeder van den strijdbaren held aan, want Poppéa staat daar niet meer. Zij is onopzettelijk, in vervoering vooruitgedrongen en men heeft voor haar plaats gemaakt. Zij is eenige trappen afgedaald en ligt op de knieën en ziet, over Cesar heen, naar haar zoon en schreeuwt mede zijn naam uit en zwaait haar hoofddoek, dien zij heeft afgerukt, zoodat hare haren los achterwaarts zijn gevallen; het zweet gudst langs haar gelaat, hoewel zij doodsbleek van kleur blijft, maar het wit van hare oogen schijnt in rood over te gaan en de zwarte oogappels vlammen als tusschen bloed.

En zij ziet, wat ook allen, die zich in het Amphitheater bevinden, zien, dat Varro door een hyena verrast wordt. Het dier is hem van achteren genaderd en heeft hem, onder zijn schild door, in de linkerzijde gegrepen. Varro verliest echter zijne tegenwoordigheid van geest niet; hij laat terstond zijn schild vallen, zijn zwaard aan den riem om zijn rechterpols neerhangen en grijpt met beide handen het dier in den nek. Hij wil het van zich losrukken, maar het heeft zich reeds met muil en klauwen vastgehecht. Varro geeft zich echter niet zoo gewonnen; hij knijpt de keel van den hyena dicht en doet herhaalde pogingen en rukt nog eens en weder, totdat hij het dier bijna stikkend van zich afscheuren kan. Stukken vleesch uit zijne dij gaan mede; de linkerribben liggen ontbloot; door zijn eigen bloed voelt hij het zand, waar hij op staat, nat worden. Toch kan hij nog met de uiterste inspanning, met de linkerhand alleen, een enkel oogenblik den hyena van zich afhouden, zijn zwaard intusschen grijpen en het door het hart van het spartelende dier steken, maar daarmede is zijne kracht ook uitgeput. Hij ziet rond in de arena; de weinige nog overgebleven makkers verkoopen hun leven zoo duur mogelijk, maar het wild gedierte zegepraalt. Varro wankelt, maar voor het laatst spant hij nog zijne spierkracht; hij steekt den rechterarm met het behouden zwaard naar Cesar op. Hij ziet, dat Domitianus hem den lauriertak toewerpt en hij ziet ook nog, hoewel reeds in een scheinerend waas, zijne moeder. Voor haar, die hem toejuicht, is de glimlach, waarmede hij op zijn schild nederstort. De wild hartstochtelijke zegekreten, die hem door de duizenden worden toegeroepen, zouden het Amphitheater doen dreunen, indien de zware steenklomp dreunen kon, maar zij daveren hem zeker nog in de ooren, want hij heft de rechterhand nog even op, als eenige dieren, dol door de pijn der wonden hun toegebracht en door het geraas rondom hen, zich op hem werpen, den laatsten man, dien zij elkander thans als hunne prooi in de arena betwisten kunnen.



Het werd dien avond buitengewoon laat, éér Poppéa zich naar hare woning begaf. Men had haar in triumf de trappen van het Amphitheater af, de gangen door naar buiten gedragen. Half zinneloos van verrukking, van hoogmoed, omdat haar zoon de eer van Verona's arena voor Cesar had gehandhaafd, had zij zich met opgeheven hoofd eenige straten en buurten laten rondleiden en de regelmatige trekken van haar gelaat waren niet verzacht, maar hadden hunne harde uitdrukking behouden, zelfs terwijl zij vriendelijk groette en zich aan de versnaperingen, welke haar hier en daar werden aangeboden, te goed deed. Zij was overgelukkig; aan haar moedertrots was voldaan; zelfs de gedachte over Varro's dood smart te gevoelen, om zijn verlies te betreuren kwam niet bij haar op; het hoogste, wat zij van hem gehoopt, gewenscht had, was haar ten deel gevallen; en evenmin als iemand zich over hare blijdschap verwonderde of ergerde, evenmin zou zij het begrepen hebben, indien haar een berispend woord ware toegevoegd; zij had genoten, wat zij van haar zoon genieten kon.

Eerst, toen de avond reeds gevallen was en zij op de trappen van het paleis van den duumvir, bij wien Domitianus zijn intrek genomen had, van de vermoeienis van den dag een weinig was uitgerust, kwam te midden van al de herinneringen der laatste uren en dagen de vraag bij haar op: waar Julia zich bevinden mocht? Waarheen had zij zich begeven, nadat Varro haar had uitgeworpen? De nieuwsgierigheid dreef Poppéa naar de wijk, waar Julia woonde en zij verheugde zich, bedenkende dat, indien door Julia aan haar zoon een valstrik was gezet, indien zij door eenige toovenarij hem van zijn moed had willen berooven, dan haar plan volkomen mislukt was, mislukt door de manhaftigheid, waarmede hij zelf zich aan haar invloed had onttrokken.

Zij vond echter Julia niet en zij vernam omtrent haar ook niets meer, dan dat zij in den middag was uitgegaan, het hoofd nog met een doek omwonden, waggelend, nauwelijks in staat om zich voort te sleepen. Niemand kon echter zeggen waarheen Julia zich begeven had en nadat Poppéa zich nog eenigen tijd daar met allerlei praatjes en vooral door het hooren naar den lof, welke aan Varro werd toezwaaid, had laten ophouden, ging zij zonder het te vermoeden, op weg naar de plaats, waar zij Julia vinden zou, namelijk haar eigen woning.

Inderdaad, Julia was door smart en vrees daarheen gedreven. Het loopen was haar zwaar gevallen; telkens had zij moeten stilstaan, maar zij was als het ware voortgekropen, totdat zij leunen kon tegen den muur, waarachter het kleine woonvertrekje van Poppéa lag. Zij moest zich vasthouden aan het ruwe, maar nog al ver vooruitspringende steenen beeldhouwwerk van den deurpost, want zij zou anders zijn neergevallen, gefolterd door de koorts, welke haar hoofdwonde veroorzaakte, gemarteld door bangen twijfel omtrent den afloop van den strijd in de arena.

Zij zou er niet kunnen zijn heengegaan, al ware zij volmaakt gezond en sterk geweest. Zij had den godsdienst der vervolgde Jodensecte nog wel niet aangenomen, eigenlijk had zij er weinig of niets van begrepen, maar zij had een week gemoed, teergevoeliger dan de meeste vrouwen, met wie zij leefde, en de zinnelijke vergoding, met welke zij zich aan den gladiator verbonden gevoelde, die haar voor hem deed bidden, waar haar ook maar eene Godheid werd aangewezen, had haar tot een speelbal van Varro's willekeur gemaakt, eene slavin, die hij vermoorden kon, maar die door zijn dood in troostelooze wanhoop zou gedompeld worden.

Zij wachtte uren lang; hare hoop werd niet vervuld; zij kon begrijpen dat Varro, ongedeerd uit de arena gekomen, ergens aan een drinkgelag deelnam, maar ook Poppéa keerde nog niet terug. Julia had reeds naar de gesprekken van enkele voorbijgangers geluisterd; de straat was eenzaam en scheen bij het feestgewoel van dien dag nog meer verlaten. Zij meende toch reeds over Varro's heldenmoed, over Poppéa's opgetogenheid een enkel woord te hebben opgevangen, maar zij was er niet zeker van. Zij riep den een en ander, die langs haar gingen, aan, maar door sommigen werd hare flauwe stem niet gehoord en anderen liepen onwillig haar voorbij. Eindelijk bleef een man, die eene zware vracht vertilde, een oogenblik bij haar stilstaan. Toen hij zijn weg vervolgde, wist Julia alles; zij wist, dat het ergste haar overkomen was: Varro was dood.

Alles wat zij misschien ooit had hooren prediken van geduld en onderwerping, van lijdzaamheid om het kruis des levens te dragen, had thans alle waarde voor haar verloren; het was als volkomen uit haar geheugen weggewischt. Zij kon niet schreien; zij snikte slechts, maar voortdurend, als iemand, die naar adem hijgt, met korte, harde keelstooten.

Het eenige, wat zij bedenken kon, was den weg te betreden, die haar door de wanhoop werd aangewezen. Zij strompelde naar de deur van Poppéa's vertrek; zij wist, hoe zij het slot kon openen. Zij viel over den drempel op de knieën, maar kroop naar de plek, waar Varro in zijne woede, drie dagen geleden, haar had neergesmeten. Daar gekomen rukte zij den hoofddoek af. Het bloed begon uit de vreeselijke wonde te zijpelen; het droop weldra op hare handen, die op den vloer steunden. Toen liet zij zich voorover vallen en na weinige minuten was zij een lijk.

De maan scheen helder, toen Poppéa hare woning naderde. Zij verkeerde nog in dezelfde, door trotsche blijdschap gewekte stemming, aan welke zij in het Amphitheater en later op den dag op verschillende plaatsen door de hartstochtelijkste kreten en gebaren lucht gegeven had. Thans nog bij het herdenken van Varro's kracht en behendigheid, van den lof hem door duizenden, ook door Cesar toegezwaaid, sloeg zij in verrukking soms de handen inéén en prevelde eenige woorden van zelfvoldoening. Dien man, dien gladiator, dien reus, dien held, zij had hem gebaard, gezoogd, gekweekt! De voorspelling van Lartius was vervuld: de dreuning van den zwaardslag van haar zoon had de ooren van Cesar bereikt!

Zoo kwam zij voor de deur van haar woonvertrek. Zij verwonderde er zich over, dat de zwakke sluiting verbroken was, maar waarschijnlijk hadden bekenden, buren wellicht, haar met den roem door Varro behaald, willen gelukwenschen. Poppéa dacht er niet verder over na en trad binnen. Zoodra zij echter rondzag ontdekte zij het lijk, zij struikelde bijna over Julia's voeten.
Toch werd zij niet bevreesd; die doode joeg haar geen schrik aan. Toornig greep zij het lijk bij den schouder, terwijl zij zich voorover boog om goed te kunnen zien. Zij streek van het gelaat, dat thans tot haar gekeerd was, de door bloed bemorste haren weg; de glans was uit Julia's oogen verdwenen, maar Poppéa herkende haar en mompelde: ‘Ik dacht het al!’

Zij liet het hoofd los en richtte zich op. Gedurende eenige minuten stond Varro's moeder onbewegelijk, in diepe overpeinzing. Niet, dat zij twijfelend een antwoord zocht op de vraag, hoe dat lijk daar mocht gekomen zijn? dat begreep zij volkomen goed, en de gedachten, die daardoor bij haar gewekt werden, die haar door het hoofd stormden, brachten na eene kortstondige overweging haar tot een besluit, waarmede zij door Varro te dienen en te eeren voor het laatst de kracht openbaarde van het moederlijk gevoel, zooals het zich bij haar deed gelden.

‘Ik begrijp het wel!’ sprak zij hardop, alsof de doode, die daar voor haar lag, haar hooren kon; ‘de bedoeling, waarmede gij hier zijt gekomen om te sterven, ontgaat mij niet! Hier is hij aan uwe tooverkunsten ontsnapt: gij wilt het weder met hem beproeven in den dood, maar het zal ook daar ginds niet gelukken! Ik heb u betrapt en hem gewaarschuwd; hij wou mij eerst niet gelooven, maar mijn woord bleef toch branden op zijn hart, zoodat gij u zelf wel voor hem verraden moest! Ik zal hem thans niet aan u overlaten! Als gij daarop hebt gerekend, hebt gij vergeten, dat ik hier lang genoeg heb geleefd! Ik zal daar bij hem zijn; ik volg u beiden; ik ga meê! Hier!’ Poppéa was eene sterke vrouw; wie ook Varro's vader mocht geweest zijn, hij had ook van zijne moeder den aanleg tot zijne reusachtige lichaamsontwikkeling geërfd.

Zij wierp haar opperkleed af, nam het lijk op haar linkerschouder en liep er mede haar woonvertrek uit. Er was geen mensch op straat te bespeuren. Poppéa sloop langs de muren der huizen, in de donkere schaduwen voort; onverhinderd bereikte zij den oever der Adige.

Zij volgde den stroom, totdat zij aan de brug kwam en liep de brug op tot de hoogste boog. Daar stond zij stil en legde Julia's lijk op de breede borstwering. Het kostte moeite, want de borstwering was ook toen reeds hoog, en Poppéa moest opspringen om den rand stevig genoeg te kunnen grijpen, dat zij zich zelf ook naar boven hijschen kon.

Weldra echter stond zij naast het doode lichaam, waaruit de laatste donkere bloeddruppels op de lichtgele steen vloeiden. Neen, Poppéa werd niet duizelig, al stond zij hoog boven de rivier, al ruischte beneden haar het voortstroomende water. Zij tilde het lijk weer op haar linkerschouder en sloeg, zelf bijna naakt, den linkerarm om de, ook bijna naakte, doode. Nog één oogenblik! Poppéa zag niet op naar den prachtigen sterrenhemel, niet naar de lichtende maan; met het hoofd voorover gebogen, strekte zij den rechterarm uit over de rivier. Vast en luide klonk hare stem: ‘Ik kom, Varro!’ Stoutmoedig sprong zij naar beneden en verdween in de diepte, onder het water, dat eerst opspatte, maar terstond daarna zich weer snelvlietend en bruisend over haar en den haar neerdrukkenden last sloot.



Leiden.

W.P. Wolters.
De Gids. Jaargang 1881


Terug naar deel 1





     
   Gastenboek voor vragen en opmerkingen  op index  pagina
1)   Het amfitheater van Pompeii: Algemeen
2)   De spelen in het amfitheater. Wat was er te zien?
3)  
Gladiatoren: de meest voorkomende soorten
4)  
Wie waren de gladiatoren?
5)  
Graffiti uit Pompeii
6)  
Nogmaals het amfitheater van Pompeii
7)  
Gladiatorenschool in Pompeii
8)  
Gladiatorenschool / Ludus gladiatori
9)  
Wat aten de gladiatoren?
10) 
Wie betaalden de spelen?
11) 
Spel en spannend verhaal
1)   Het amfitheater van Pompeii: Algemeen
2)   De spelen in het amfitheater. Wat was er te zien?
3)  
Gladiatoren: de meest voorkomende soorten
4)  
Wie waren de gladiatoren?
5)  
Graffiti uit Pompeii
6)  
Nogmaals het amfitheater van Pompeii
7)  
Gladiatorenschool in Pompeii
8)  
Gladiatorenschool / Ludus gladiatori
9)  
Wat aten de gladiatoren?
10) 
Wie betaalden de spelen?
11) 
Spel en spannend verhaal